Boekgegevens
Titel: Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Auteur: Blink, H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
Opmerking: Met bijlage: Atlas der natuurkundige aardrijkskunde behoorende bij Onze planeet, grondbeginselen ...
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 998 : 1e dr. (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203320
Onderwerp: Aardwetenschappen: fysische geografie, Astronomie: kosmologie
Trefwoord: Fysische geografie, Kosmologie, Leermiddelen (vorm), Atlassen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
96
De ijsvortning moet daardoor aan de oppervlakte beginnen. Ook
wordt hieruit verklaard, dat het water op den bodem bij eene
temperatuur van — 2° C. nog niet bevriest.
De Poolzeeën zijn voor een groot deel des jaars met ijs bedekt.
De inhammen der kusten en der eilanden zijn bijzonder gunstig voor
de ijsvorniing. In het warme jaargetijde raakt dit ijs door de ver-
eenigde vverking van wind en warmte langzaam los. Het begint te
kraken en persen, en wordt eindelijk in een groot aantal schollen
en drijvende ijsvelden verdeeld, die voor een groot gedeelte door
stroomen en winden naar lager breedten gevoerd worden. Dit is het
drijf ijs, dat aan de kust van Amerika in den Atlantischen Oceaan
tot op 40° breedte, aan de kust van Europa door den warmen
(iolfstroom niet zuidelijker dan de Noordkaap gevonden wordt.
Tusschen de meer of minder groote velden van drijfijs verheffen
zich enkele ijsbergen, welke met de zonderlingste vormen en eene
hoogte van soms 100 M., ten spel van wind en stroomen in zee
rondzwerven. Daar de zee hoogstens tot eene diepte van 6^7 M.
bevriest, kunnen deze ijsbergen niet als het gewone drijfijs ontstaan.
Zooals wij later zullen zien, zijn het afgebroken gedeelten van glet-
schers, die van de kustgebergten in zee voortschuiven. Deze ijs-
bergen zijn zeer gevaarlijk voor de scheepvaart; dikwijls toch
kantelen de massa's onverwachts om, óf storten plotseling in puin.
Vraag.
1. Waardoor bevriest het zeewater op den bodem niet, hoewel er èen tempe-
ratuur onder c» heerscht ?
§ 7. Kleur van het zeewater. Bij kleine hoeveelheden vertoont
het zeewater zich kleurloos. In volle zee heeft echter het zeewater
meestal eene blauwe kleur, welke donkerder wordt naarmate het
zoutgehalte toeneemt. Ook eene verhoogde temperatuur schijnt aan
die donkerheid bevorderlijk te zijn, zooals men bij den donkeren
Golfstroom en Koero-Siwo kan opmerken.
In de equatoriale gewesten is dikwijls opgemerkt, dat die blauwe
kleur der zee bij afkoeling tot donkergroen overging. De bekende
groene kleur der zee, zeegroen, wordt meest waargenomen bij on-
diepe zeeën met vlakke gronden en krijtformaties.
Bij ondiepe zeeën met slijkerigen bodem heeft het zeewater eene
geel-groene kleur, zooals bijv. in de Noordzee het geval is.
De oorzaken van de kleur der zee zijn nog niet volkomen be-
kend. De groene kleur is waarschijnlijk een gevolg van kleine plan-
tenlichamen. Het water van enkele binnenzeeën wordt nog gekleurd
door de opgeloste bestanddeelen. De Gele zee ontvangt bijv. haar
naam van het troebele gele slib, dat de Gele rivier in deze zee