Boekgegevens
Titel: Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Auteur: Blink, H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
Opmerking: Met bijlage: Atlas der natuurkundige aardrijkskunde behoorende bij Onze planeet, grondbeginselen ...
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 998 : 1e dr. (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203320
Onderwerp: Aardwetenschappen: fysische geografie, Astronomie: kosmologie
Trefwoord: Fysische geografie, Kosmologie, Leermiddelen (vorm), Atlassen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
94
van hunne schelpen of geraamten. Deze kalk wordt, zooals wij later
zien zullen, in groote kalkba.nken vastgelegd.
Het zout ondergaat dergelijke omzettingen niet. Terwijl het zee-
water verdampt, blijft het zout achter en zoo heeft de zee het zout
opgespaard, dat de rivieren haar sedert duizenden van jaren bij
zeer geringe hoeveelheden toevoerden.
Steppen-rivieren voeren op" dezelfde wijze het zout naar meren,
die hierdoor, wanneer zij geen afvoerkanaal hebben, een zeer hoog
zoutgehalte verkrijgen. Zoo heeft de Doode Zee (Azië) een zoutgehalte
van 2 1,7 pCt.; het Groote Zoutmeer in Amerika van 13,4 pCt.
In binnenzeeën en golven, alsmede op verschillende breedten wisselt
het zoutgehalte nog af.
Door het zoutgehalte in verband met de temperatuur, wordt ook
het soortelijk gewicht van het zeewater bepaald. Hoe grooter het
zoutgehalte is, des te grooter is het soortelijk gewicht.
Vraag.
i. Zal een meer, waar een rivier doorstroomt, ook zoo licht een zoutwater
meer worden als een, waar een rivier in uitloopt doch niet weer uitstroomt?
§ 5. Temperatuur der zee. De temperatuur der zee wordt hoofd-
zakelijk bepaald door de breedte. Daar de oppervlakte der zee ge-
lijkmatiger en effener is dan die van het land, is hare temperatuur
meer in overeenstemming met de wiskunstige ligging. Bij de zee
heeft men ook niet de snelle temperatuursafwisselingen, die men
bij het land kan waarnemen. De verwarming der zee begint bij de'
oppervlakte, die der lucht van onderen, en hierdoor neemt de tem-
peratuur van het water naar beneden, van de lucht naar boven af.
De hoogste temperatuur vindt men nabij den evenaar in den gordel
van 0°—10° breedte. De Atlantische Oceaan heeft hier eene gemid-
delde temperatuur van 25,2° tot 26,9° C., de Groote Oceaan van
25,6° tot 26,9° en de Indische Oceaan van 27,3° tot 28,9° C.
Van 50 tot 60° N. Br. bedraagt de temp. der drie genoemde zeeën
respectievelijk 8,9°, 7,2' en 3° C.
Naar de diepte neemt de temperatuur van het water af; eerst
snel, daarna langzaam. Op groote diepte kan men de temperatuur-
verschillen met de breedte bijna niet waarnemen. In de tropische
zeeën heerscht op groote diepte eene temperatuur van 0° 2° C.,
terwijl op den bodem der Poolzeeën het water eene temperatuur
heeft van ± 2,5° C.
Vraag.
Welk verschil bestaat er in de verwarming van het land en de zee?
§ 6. Het bevriezen van het zeewater. Zoet water bevriest bij
eene temperatuur van 0° C., terwijl het zijne grootste dichtheid