Boekgegevens
Titel: Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Auteur: Blink, H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
Opmerking: Met bijlage: Atlas der natuurkundige aardrijkskunde behoorende bij Onze planeet, grondbeginselen ...
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 998 : 1e dr. (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203320
Onderwerp: Aardwetenschappen: fysische geografie, Astronomie: kosmologie
Trefwoord: Fysische geografie, Kosmologie, Leermiddelen (vorm), Atlassen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
III. De top van den mast van het schip bij D in fig. i is voor A
slechts gedeeltelijk te zien. Was het schip van B, waar het voor
A geheel zichtbaar zal zijn, naar D verplaatst, dan zou het daar-
door langzaam weggezonken en bij verdere verwijdering geheel voor
A verdwenen zijn. De spitse, dunne top van den mast, die wegens
zijn kleinen omvang het eerst moest verdwijnen, blijft juist het
langst zichtbaar.
IV—V. De bewijzen IV en V zijn door teekening van eene
doorsnede der aarde van het W. naar het O. en van het N, naar
het Z. gemakkelijk te begrijpen.
VI. Wanneer men bestendig in dezelfde richting doorreist, komt
men eindelijk op het punt van uitgang weder terug. Ferdinand
Magelhaen, een Portugees, zeilde in 1519 van San Lucar op reke-
ning van Spanje in eene westelijke richting uit, en hoewel hij zelf
den dood vond, kwamen zijne tochtgenooten, 'na voortzetting hunner
reis in dezelfde richting in 1522 in Europa terug. Zij hadden de
eerste reis om de aarde volbracht, welke later dikwijls herhaald is,
VII. Bij het bespreken der maansverduistering komen wij hierop
terug.
Zuivere metingea en andere onderzoekingen hebben geleerd, dat de aarde aan de
polen een weinig is afgeplat. Deze afplatting is echter zeer gering in verhouding
tot hare grootte; de halve lengte der aardas staat tot de straal van den evenaar
als 298 : 299. Ook de oneffenheid., welke de bergen pan de- aardoppervlakte
geven is betrekkelijk gering; de hoogte van den hoogsten bergtop (8840 M.) be-
draagt slechts Vi44o middellijn der aarde.
Vragen.
1. Welke bewijzen heeft men voor den bolvorm der aarde?
2. Wat verstaat men door gezichtsveld en welken vorm heeft het?
3. Waardoor kan de grootte van het gezichtsveld bepaald worden?
4. Zou het gezichtsveld ook een cirkelvormige gedaante hebben, als de aarde
een plat vlak was?
5. Waardoor schijnt een voorwerp kleiner te worden, naarmate men zich ver-
der daarvan verwijdert?
6. Welke verschijnselen ziet men bij het vertrek van een schip op zee?
7. Welke verschijnselen, in betrekking tot het oogenblik van opgang en ondergang
der zon, zou men op de verschillende plaatsen der aarde zien, als deze een plat
vlak was ?
8. Welke verschijnselen ziet men bij de sterren, als men van den evenaar naar
het N. reist? Waardoor zijn die verschijnselen te verklaren?
9. Hoe groot zal nagenoeg de middellijn van het gezichtsveld zijn van iemand,
die zich op den top van den Dom bevindt? Ziede tabel (De Dom is 110 M. hoog;
i M. 3,5 voet.) Welk verschil maakt dit met het gezichtsveld van iemand van
6 voet lengte op de vlakte?
10. Welk bewijs levert de vorm der verduistering bij eene maaneclips voor den
vorm der aarde?
§ 5. De aarde in de ruimte. Lijnen, vakken en punten op aarde
en aan den hemel. De bolvormige aarde zweeft te midden van