Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit de werken van P. Vergilius Maro
Serie: Bloemlezing uit Latijnsche dichters met aanteekeningen, 3e stuk
Auteur: Vergilius Maro, P.; Kan, J.B.
Uitgave: Groningen: L. van Giffen, 1864
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 101 : 1e dr. (dl. 3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203285
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Klassieke Latijnse letterkunde
Trefwoord: Latijn, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit de werken van P. Vergilius Maro
Vorige scan Volgende scanScanned page
m
72
Cum sonitu trahit et Danaum super agmina late
Ineidit. Ast alii subeunt, nec saxa, nec ullum
Telorum interea cessât genus.
Yestibulum ante ipsum primoque in limine Pyrrhus
470. Exsultat, telis et luce coruseus aena;
Qualis ubi in lucem coluber mala gramina pastus,
Prigida sub terra tumidum quem bruma tegebat.
Nunc, positis novus exuviis nitidusque iuventa,
Lubrica convolvit sublato pectore terga
475. Arduus ad solem et linguis micat ore trisulcis.
Una ingens Periphas et equorum agitator Achillis,
Armiger Automedon, una omnis Scyria pubes
Succedunt tecto et flaramas ad culmina iactant.
Ipse inter priraos correpta dura bipenni
480. Limina perrumpit postisque a cardine vellit
Aeratos; iamque excisa trabe firma cavavit
Eobora et ingentem lato dedit ore fenestram.
Adparet domus intus et atria longa patescunt;
Adparent Priami et veterum penetralia regnm
485. Armatosque vident stantis in limine primo.
At domus interior gemitu miseroque tumultu
Miscetur penitusque cavae plangoribus aedes
Pemineis ululant; ferit aurea sidera clamor.
470. luc. — aen. Vgl II. XIII, 341. 471. qualis ry. Vgl II.
XXTT, 93—95. 477. arm. nl Pyrrhi. — Scyr. Pyrrhus was op het
eiland Scyros, bij zijne moeder Deidamia, de dochter v. kon, Lyco-
medes, opgevoed, 479—482. P. wil de deur verbrijzelen, hij richt
zijne slagen daarom eerst tegen de hengsels, maar nad^t deze gebro-
ken zijn, wordt de deur nog door de sluitboomen gehouden. Om
dezen tegenstand te overwinnen, rukt hij een balk uit de muur en
gebruikt dezen als stormram. Maar hij kan in de eikenhouten, met
metaal overtrokken deur slechts eene kleine opening maken, die hem
een blik vergunt in 'tbinnenste van het paleis. 487. cav. aed. =
cavacdium, de binnenplaats, omgeven door gaanderijen, terwijl in
^tmiddan eene opene plaats was, impluvium. Vgl 512.