Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit de werken van P. Vergilius Maro
Serie: Bloemlezing uit Latijnsche dichters met aanteekeningen, 3e stuk
Auteur: Vergilius Maro, P.; Kan, J.B.
Uitgave: Groningen: L. van Giffen, 1864
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 101 : 1e dr. (dl. 3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203285
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Klassieke Latijnse letterkunde
Trefwoord: Latijn, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit de werken van P. Vergilius Maro
Vorige scan Volgende scanScanned page
60
Fas mihi Graiorum sacrata resolvere iura,
Fas odisse viros atque omnia ferre sub auras,
Si qua tegunt; teneor patriae nec legibus ullis.
]60. Tu modo promisses maneas servataque serves
Troia fidem, si vera feram, si magna repeudam,
Omnis spes Danaum et coepti fiducia belli
Palladis auxiliis semper stetit. Inpius ex quo
Tydides sed enim scelerumque inventor Ulises
165. Fatale adgressi sacrato avellere templo
l\illadium caesis summae custodibus arcis
Corripuere sacram effigiem manibusque cruentis
Virgineas ausi divae contingere vittas:
Ex illo fluere ac retro sublapsa referri
170. Spes Danaum, fractae vires, aversa deae mens.
Nec dubiis ea signa dedit Tritonia monstris.
Vix positum castris simulacrum: arsere coruscae
Luminibus fîammae arrectis salsusque per artus
Sudor iit terque ipsa solo — mirabile dictu —
175. Emicuit parmamque ferens hastamque treraentem.
Extemplo temptanda fuga canit aequora Calchas,
Nec posse Argolicis exscindi Pergama telis.
Omina ni répétant Argls numenque reducant,
Quod pelago et curvis secum advexere carinis.
180. Et nunc quod patrias vento petiere Mycenas:
164. vv> sed heloort bij den hoofdzin, enim hij den bijzin, sed
fluxit spes Danaum, corripuere enim Tyd» ct Ulix. 171. ea signa
= signa eius rei.— Trit. = lonoyi-'vHrt, 178. llet was bij de Ro'
vieinen gebruik dat de vetdheeren, wanneer zij ongelukkig in den oor-
log waren geweest of er zich ongunstige voorteekens hadden voorge-
daan, uit het leger naar Rome terugkeerden om daar op nieuw
auspicia te houden. Dit bedoelt V., als hij de Grieken van Argos
weder voorteekens laat halen en het beeld der godheidi. der ver-
zoende, gunstig gestemde godin, weder naar Troje terug doet voeren*
180. quod wat betreft de daadzaak dat.