Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit de werken van P. Vergilius Maro
Serie: Bloemlezing uit Latijnsche dichters met aanteekeningen, 3e stuk
Auteur: Vergilius Maro, P.; Kan, J.B.
Uitgave: Groningen: L. van Giffen, 1864
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 101 : 1e dr. (dl. 3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203285
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Klassieke Latijnse letterkunde
Trefwoord: Latijn, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit de werken van P. Vergilius Maro
Vorige scan Volgende scanScanned page
57
80. Finxit, vanum etiam mendacemque inproba finget.
Faiido allquod si forte tuas pervenit ad aiiris
Belidae nomen Palamedis et incluta fama
Gloria, quem falsa sub proditione Pelasgi
Insontem infando indicio, quia bella velabat,
85. Demisere neci, nunc cassnm lumine lugent:
llli me comitem et consanguinitate propinqu-um
Pauper iu arma pater primis hue misit ab annis.
Dum stabat regno incolumis regumque vigebat
Conciliis, et nos aliquod nomenque decusque
90. Gessinius. Invidia postquam pellacis Ulixi —
llaud ignota loquor — superis concessit ab oris,
Adtlictus vitam in tenebris luctuque trahebam
Et casum insontis mecum indignabar amici.
Nec tacui demens, et me, fors si qua tulisset,
95. Si patrios umquam remeasscm victor ad Argos,
Promisi ultorem et verbis odia aspera movi.
Hinc mihi prima mali labcs, hinc seniper Ulixus
Ciiminibus terrere novis, hinc spargere voces
In volgum ambiguas et quaerere conscius anna.
100. Nec requievit enim, donee Calchante ministro —
Sed quid ego haec autem nequiquam ingiata revolvo ?
Quidve moror, si omnis uno ordiue habetis Achivos,
62. Pahimedes, eeii nakomding van den aegyptischen honing De/u.t,
noodzaakte Ulysses om deel te nemen aan dtn trojaanschen oor log f
waarom deze hem door een vaUchm hrief van Priamus en hel verber-
gen van een schat in zijn tent, zoozeer in verdenking bij het gritksche
leger wist te brengen, dal het hem steenigde. — liclïtles onregelmatig
van liclus. 87. prim, ab an. Ofschoon niet zoo jong of hij had reeds
kinderen. VgL vs. 138. 90. pcll. noXCurjn;. 96. i)roni. uit. ^
iiiinatus sum ultioncm. 99. quacr. — arm. ï'n« zijne schuld bewust
zag hij naar wapenen om (om zich tegen mij te beschermen)^ 102. L>c
gedachte is: J/aar waartoe houd ik u op, zoo gij alle Grieken op
één lijn stelt en het hoorcn van den naam u reeds genoeg is om iedtr
die dezen draagt ^ te veroordeelen?