Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit de werken van P. Vergilius Maro
Serie: Bloemlezing uit Latijnsche dichters met aanteekeningen, 3e stuk
Auteur: Vergilius Maro, P.; Kan, J.B.
Uitgave: Groningen: L. van Giffen, 1864
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 101 : 1e dr. (dl. 3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203285
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Klassieke Latijnse letterkunde
Trefwoord: Latijn, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit de werken van P. Vergilius Maro
Vorige scan Volgende scanScanned page
30. Classibiis hic locus; hic acie certare solebant.
Pars stupet innuptae donum exitiale Minervae
Et raolem mirantur equi; primusque Thymoetes
Duci intra rauros hortatur et arce locari,
Sive dolo, seu iam Troiae sic fata ferebant,
35. At Capys, et quorum melior sententia menti,
Aut pelago Danaum insidias suspectaque dona
Praecipitare iubent subiectisque urere llammis,
Aut terebrare cavas uteri et temptare latebras.
Scinditur incertum studia in contraria volgus.
40. Primus ibi ante omnis magna comitante caterva
Laocoon ardens summa decurrit ab arce
Et procul: O miseri, quae tanta insania, cives?
Creditis avectos hostis ? aut ulla putatis
Dona carere dolis Danaum? sic notus Ulixes?
45. Aut hoc inclusi ligno occultantur Achivi,
Aut haec in nostros fabricata est machina muros,
Inspectura domos venturaque desuper urbi,
Aut aliquis latet error; equo ne credite, Teucri.
Quidquid id est, timeo Danaos et dona ferentis.
50. Sic fatus validis ingentem viribus hastam
In latus inque feri curvam conpagibus alvum
Contorsit. Stetit ilia tremens, uteroque recusso
Insonuere cavae gemitumque dedere cavernae.
31. (Ion. — Min. litt geschenh van Minerva, den Trojanen tot
hun verderf door de Griehen gemaakt, 34. dol. met hoos opzet, om
zich te wreken. Want Priamus had zijn zoon, die op denzefden dag
als Paris geboren loas, laten ombrengen, omdat men hem voorspeld had,
dat een op dien dag geboren knaap Troje^s ondergang zou berokkenen,
37. que en et slaan dikwijls waar men vc zou verwachten. 47. Het
paard is, volgens V,, met hetzelfde doel gehomod als laler de belege-
ringstorens hij de Romeinen, om vandaar de belegerde stad op te
nemen en binnen hare mureyi te komen, 49. et etiam, vel, —
''JI^/6q(ov aSioQa Si^Qu xov% oy/^ai^a, Sophocles, 51. in Int. wordt door
de volgende woorden nader bepaald.