Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit de werken van P. Vergilius Maro
Serie: Bloemlezing uit Latijnsche dichters met aanteekeningen, 3e stuk
Auteur: Vergilius Maro, P.; Kan, J.B.
Uitgave: Groningen: L. van Giffen, 1864
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 101 : 1e dr. (dl. 3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203285
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Klassieke Latijnse letterkunde
Trefwoord: Latijn, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit de werken van P. Vergilius Maro
Vorige scan Volgende scanScanned page
31
Ostia, dives opum studiisque asperrima belli,
15. Quam luno fertur terris magis omnibus unara
Posthabita coluissé Samo: hie illius arma,
Hic currus fuit; hoc regnum dea gentibus esse,
Si qua fata sinant, iam tum tenditque fovetque.
Progeniem sed enim Troiano a sanguine duci
20. Audierat, Tyrias olim quae verteret arces;
Hinc populum late regem belloque superbum
Yenturum excidio Libyae : sic volvere Parcas.
Id metuens veterisque memor Saturnia belli,
Prima quod ad Troiam pro caris gesserat Argis —
25. Necdum etiam caussae irarum saevique dolores
Exciderant animo; manet alta mente repostum
Indicium Paridis spretaeque iniuria formae
Et genus invisum et rapti Ganymedis honores;
His accensa super iactatos aequore toto
30. Troas, reliquias Danaum atque inmitis Achilli,
Arcebat longe Latio, multosque per annos
Errabant acti fiitis maria omnia circum.
Tantae molis erat Eomanam condere gentem,
Vix e conspectu Siculae telluris in altum
35. Yela dabant laeti et spumas salis acre ruebant.
Cum luno aeternum servans sub pectore volnus
15. un. tot versterking van mvigxs, 17. curr. Fjf/. II. V, 720—732.
18. tend. fov. tracht zorgvuldig. 19. sed enim voor sed metuebat
Carthagini, audierat enim. 24. prim, zij vóór alle anderen, bovenal.
Arg. = Graecis. 26. rep. = repositum. 27. Paris' rechtspraak tus-
schen de drie godinnen is bekend. 28. gen. inv. de Trojanen stamden
af van Dardanus, den zoon van Zeus en Electra, en waren daarom
gehaat bij de jaloersche Juno, die zich ook verongelijkt rekende door
de gunst waarin Ganymedes, de zoon van Tros, hij haren gemaal
stond. 29. Verbind: super acq. — 34 vv, V, begint zijn verhaal met
het vertrek uit Sicilië, liet voorafgegane verhaalt Aeneas zelf later
in H II en III boek, 35. aer. r. met de metalen scheepssnebben om-
woelen.