Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit de werken van P. Vergilius Maro
Serie: Bloemlezing uit Latijnsche dichters met aanteekeningen, 3e stuk
Auteur: Vergilius Maro, P.; Kan, J.B.
Uitgave: Groningen: L. van Giffen, 1864
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 101 : 1e dr. (dl. 3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203285
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Klassieke Latijnse letterkunde
Trefwoord: Latijn, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit de werken van P. Vergilius Maro
Vorige scan Volgende scanScanned page
21
Tristis ad extremi sacrum caput adstitit amnis
Mulla querens atque hac adfntus voce parentem:
5. Mater, Gyrene mater, quae c^urgitis huius
Ima tenes, quid me praeclara Stirpe deorum —
Si modo, quem perhibes, pater est Thymbraeus Apollo —
Invisum fatis genuisti? Aut quo tibi nostri
Pulsus amor? Quid me caelum sperare iubebas?
10. En etiam hunc ipsum vitae mortalis honorem.
Quem mihi vix frugum et pecudum custodia sollers
Omnia temptanti extuderat, te matre relinquo.
Quin age et ipsa manu felicis erue silvas,
Fer stabulis inimicum ignem atque interfice messis,
15. Ure sata et validam in vilis molire bipennem,
Tanta meae si te ceperunt taedia laudis.
At mater sonitum thalamo sub fiuminis alti
Sensit. Earn circum Milesia vellera Nymphae
Carpebant hyali saturo fucata colore,
20, Drymoque Xanthoque Ligeaque Phyllodoceque,
Caesariem efTusae nitidam per Candida colla,
Clioque et Beroe soror, Occanitides ambae,
Ambae auro pictis incinctae pellibus ambae,
Atque Ephyre atque Opis, et Asia Deïopea ,
25. Et tandem positis velox Arethusa sagittis.
Inter quas curam Clymene narrabat inanem
Volcani Martisque dolos et dulcia furta
3. cap. Iron — extr. heel dit gedeelte met het oog op het punt, van
waar hij uitging. 9. quid rr. Zonen van nywphen, zelfs door Goden ver-
wekt, waren sterfelijk, zoo zij niet om hunne verdiensten in den hemel
werden opgenomen. 12. tc m. gij, mijne moeder, hadf, daar gij eene
godin zijl, dit moeten voorkomen. 13. fel. s. vruchtdragende hoornen.
17. VgL II. XVIII, 35—64. 23. Beide dragen als vriendinnen van de
jacht een door een gouden gordel opgebonden kleed. 25. tand. die nl.
van jagerin najade was geworden. 26, 27. Vgl. Od. VIII, 266
vv. — cur. in. de vergeef sehe pogingen van Vulc.anus om de dol. et
dale. fnrt. M. {den heimelijken jninnehandel van il/.) tegen 1e gaan.