Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit de werken van P. Vergilius Maro
Serie: Bloemlezing uit Latijnsche dichters met aanteekeningen, 3e stuk
Auteur: Vergilius Maro, P.; Kan, J.B.
Uitgave: Groningen: L. van Giffen, 1864
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 101 : 1e dr. (dl. 3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203285
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Klassieke Latijnse letterkunde
Trefwoord: Latijn, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit de werken van P. Vergilius Maro
Vorige scan Volgende scanScanned page
16
An mare, quod supra, memorem, quodque adluit infra?
50. Anne lacus tantos? te, Lari maxime, teque,
Fluctibus et fremitu adsurgens Benace marino?
An memorem portus Lucrinoque addita claustra
Atque indignatum magnis stridoribus aequor,
lulia qua ponto longe sonat unda refuso
55. Tyrrhenusque fretis inmittitur aestus Ayemis?
Haec eadem argenti rivos aerisque metalla
Ostendit venis atque auro plurima fluxit.
Haec genus acre virum, Marsos pubemque Sabellam
Adsuetumque malo Ligurem Volscosque verutos
60. Extulit, haec Decios, Marios, magnosque Camillos,
Scipiadas duros bello, et te, maxime Caesar,
Qui nunc extremis Asiae iam victor in oris
Inbellem avertis Eomanis arcibus Indum.
Salve, magna parens frugum, Saturnia tellus,
65. Magna virum; tibi res antiquae laudis et artis
Ingredior, sanctos ausus recludere fontis,
Ascraeumque cano Eomana per oppida carmen.
VI.
Felix, qui potuit rerum cognoscere caussas,
49. quod 8. (adluit), mare superum. 50. Octavianus stichtte in
37 v. Chr, den portus Julius tusschen Dajae en Puteoli, door de
verbinding v, d, lacus Lucrinus met den lacus Avernus en verzekerde
dien door dammen tegen het geweld der zee. 54. long. ref. wijd terug-
gedreven, omdat zij zich in den l. lucrinus moet ophouden» 57. fluxit.
Italië leverde veel goud op, tot dat een senaatsbesluit het bewerken der
mijnen verbood, 59. ads. m. Ligurië was een bergachtig, onvrucht-
baar land, 63. inb. Ind. ontmoedigde Indiërs heeten alle volken, die
Antonius en Cleopatra bijstonden tegen Octavianus. 65, tibi, dat.
comm. voor in tuum honorem. — res — artis, zaken die oudtijds be-
oefend werden en in eere waren, 66, ingr. beginnen met —, bezingen,
67. Ascr. VgL Inl. pag, IX. — VI. /n de voorgaande verzen prijst F.
het landleven (^Vgl. Stuk I, 12) en de Muzen, wier priester hij is,
Felix (t-Ä, 1) is dus de geleerde en Fort. {vs, 4) de landbouwer.