Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit de werken van P. Vergilius Maro
Serie: Bloemlezing uit Latijnsche dichters met aanteekeningen, 3e stuk
Auteur: Vergilius Maro, P.; Kan, J.B.
Uitgave: Groningen: L. van Giffen, 1864
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 101 : 1e dr. (dl. 3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203285
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Klassieke Latijnse letterkunde
Trefwoord: Latijn, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit de werken van P. Vergilius Maro
Vorige scan Volgende scanScanned page
13
Aut gravibus rastris galeas pulsabit inanis
Grandiaque effossis mirabitur ossa sepulcris.
Di patrii, Indigetes, et Homule Yestaque mater,
Quae Tuscum Tiberim et Eomana Palatia servas,
85. Hunc saltern everso iuveuem succurrere saecio
Ne prohibete! Satis iam pridem sanguine nostro
Laomedonteae luimus periuria Troiae;
Iam pridem nobis caeli te regia, Caesar,
Invidet atque hominum queritur curare triumphos;
40. Quippe ubi fas versum atque nefas: tot bella per orbem,
Tam multae scelerum facies; non ullus aratro
Dignus honos, squalent abductis arva colonis
Et curvae rigidum falces conflantur in ensem.
Hinc movet Euphrates, illinc Germania bellum;
45. Vicinae ruptis inter se legibus urbes
Arma ferunt; saevit toto Mars inpius orbe;
Ut cum carceribus aese effudere quadrigae,
Addunt in spatia et frustra retinacula tendens
Fertur equis auriga neque audit currus habenas.
32. grand. Omdat sints de wereld staat ^ het nageslacht zich steeds
het voorgeslacht als grooter en sterker heeft voorgesteld, 33. Di patr.
goden der voorouders, tegen over de later van elders ingevoerde, — Ind.
vergode voorouders. 37. Laom. Als nakomelingen der Trojanen mot-
ten de Rom. boeten voor Laomtdons weigering om Apollo en Posei-
don het bedongene loon te betalen, 38. Caesar nl. Octavianus. 40.
ubi voor apud quos. 44. Euphrates. In de jaren 3G — 35 v. Chr.
overwon Oct. Sextus Pompejus, hadden de staten van Etrurie (vic.
urb.) oorlog met elkander ^ vielen llhjrische stammen in de naburige
provincies, streed Antonius tegen de Parthen en Agrippa tegen de
Galliërs en Germanen. 48. add. in sp. hoe meer banen zij door-
rennen, des te sneller hollen zij voort. Door spat. verstaat men in
den renbaan den weg van de carccres (Jiet uitgangspunt) om de meta
heen en zoo terug.