Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit de werken van P. Vergilius Maro
Serie: Bloemlezing uit Latijnsche dichters met aanteekeningen, 3e stuk
Auteur: Vergilius Maro, P.; Kan, J.B.
Uitgave: Groningen: L. van Giffen, 1864
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 101 : 1e dr. (dl. 3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203285
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Klassieke Latijnse letterkunde
Trefwoord: Latijn, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit de werken van P. Vergilius Maro
Vorige scan Volgende scanScanned page
BUCOLICA.
I.
MELIBOEUS.
Tityre, tu patulae recubana sub tegmine fagi
Silvestrem teaui Musam raeditaris avena;
Nos patriae finis et dulcia linquimus arva;
Nos patriam fugimus: tu, Tityre, lentus in umbra
5. Eormosam resonare doces Amaryllida silvas.
TIT T R u s.
O Meliboee, deus nobis haec otia fecit.
Namque erit ille mihi semper deus; illius aram
Saepe tener nostris ab ovilibus inbuet agnus.
Ille meas errare boves, ut cernis, et ipsum
10, Ludere, quae vellem, calamo permisit agresti,
De dichter wil Octavianus zijn dank betuigen voor de teruggave
zijner landerijen (Vgl. InLpag.Wl), lïij laat daarom het geluk van
Titjrus, een bouwknecht, sterk uitkomen ^ tegenover den rampzaligen
toestand van den herder Melibocus, die uit vrees voor de veteranen
de vlucht heeft genomen. — 2. Silv. Mus. med. zich oefenen in her-
dersliederen. Eet vee weidde men bij voorkeur op boschrijke bergen.
5. Am. den naam v» uwe A* 6, deus nl Octavianus. 8. ab uit.
1