Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit de werken van P. Vergilius Maro
Serie: Bloemlezing uit Latijnsche dichters met aanteekeningen, 3e stuk
Auteur: Vergilius Maro, P.; Kan, J.B.
Uitgave: Groningen: L. van Giffen, 1864
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 101 : 1e dr. (dl. 3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203285
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Klassieke Latijnse letterkunde
Trefwoord: Latijn, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit de werken van P. Vergilius Maro
Vorige scan Volgende scanScanned page
De roem, waarop de dichter van de Bucolica en de Geor-
gica aanspraak mögt maken, dat hij in deze soorten van
poëzie in de Eomeinsche letterkunde de eerste proeven gele-
verd had, komt hem niet toe voor zijn episch gedicht, de
Aeneis. Livius Andronicus had reeds op het voetspoor der
Grieken den trojaanschen oorlog bewerkt en Cn. Naevius in
saturnische versmaat den eersten Punischen oorlog, waaraan
hij zelf deel had genomen, bezongen, terwijl Ennius, die
in 109 stierf, vol geestdrift voor het krachtige Eome, in
zijne 18 boeken Annales, de geheele Eomeinsche geschiedenis
van Aeneas' komst in Italië tot op zijnen tijd, in annalis-
tischen vorm had behandeld. Hunne werken waren echter
niet veel meer dan in versmaat gebrachte kronieken, en
hunne navolgers brachten het niet veel verder.
Vergilius, en dit dient men voor oogen te houden, wil
men zijn werk op den rechten prijs schatten, was de eerste
Romein, die gevoel en smaak had voor het ware epos.
Hij begreep eerst, welk een hemelsbreed verschil er be-
stond tusschen Homerus' gedichten en hetgeen zijne landgenoo-
ten tot nog toe geleverd hadden. Vooral hinderde hem hunne
ruwheid en het geweld dat zij de taal hadden aangedaan.
Daarenboven schreef hij zijn werk met een bepaald doel. Ho-
merus schildert den toorn van Achilles met zijne noodlottige
gevolgen in de Ilias, in de Odyssee den terugkeer van
Odysseus naar Ithaca; beide heeft Vergilius gebruikt en ver-
werkt om het doel te bereiken dat hij zich had voorgesteld.
De stichting eener stad, die het noodlot had bestemd tot
de wieg van Eome, door een trojaanschen held, na lange
zwerftochten en tallooze, gelukkig doorgestane avonturen;
de band die er bestond tusschen de thans te Eome regeerende
familie en het trojaansche vorstenhuis, waardoor tegelijk de
grond gelegd werd tot de langdurige veete tusschen Eome
en Carthago , maakten dit werk in aanleg en doel inderdaad