Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit de werken van P. Vergilius Maro
Serie: Bloemlezing uit Latijnsche dichters met aanteekeningen, 3e stuk
Auteur: Vergilius Maro, P.; Kan, J.B.
Uitgave: Groningen: L. van Giffen, 1864
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 101 : 1e dr. (dl. 3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203285
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Klassieke Latijnse letterkunde
Trefwoord: Latijn, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit de werken van P. Vergilius Maro
Vorige scan Volgende scanScanned page
ix
de getrouwheid en den eenvoud van Theocritus ten beste
gaf voor een schoonen en bevalligen vorm. Toch had de
dichter bij het behandelen van dit onderwerp nog te worste-
len met de taal, die hij eerst geheel meester is in de
Georgica, wier versbouw en rhythmus beide evenzeer den
geoefenden dichter verraden. Op verzoek van Maecenas be-
handelt hij, om de gezonkene liefde tot den landbouw weder
op te wekken, dit onderwerp zoo, dat sommigen zijne Geor-
gica voor het meesterstuk van didaktische poëzy der oudheid
houden. In vier boeken spreekt hij achtereenvolgens over den
landbouw, de boomkweekerij, de veefokkerij en de bijenteelt.
Echter is de dichter ook hier niet zelfstandig, en beweegt
hij zich op een veld, dat door de Grieksche en Eomeinsche
schrijvers reeds ontgonnen en bewerkt was. Ten onrechte
evenwel heeft men gemeend, dat hij de *oi ij/ue^ai van
Hesiodus van Ascra tot grondslag gelegd had. Want wel
noemt hij zijn gedicht een Ascraeum carmen, maar daarmede
bedoelt hij de overeenkomst, die er tusschen den Griekschen
dichter en hem bestaat, in zooverre als beide het eerst voor
hun volk in poëzie hetzelfde onderwerp behandeld hebben. Bij
deze gelijkheid blijft er evenwel zooveel verschil in het doel
en de behandeling van de beide dichters, dat er van navol-
ging geen sprake kan zijn, want de Griek wil het leven,
vooral het landelijke leven van zijne dagen schilderen, en
tevens voorschriften, zoowel van praktische wijsheid als van
zedelijkheid geven, hetgeen niet in het plan van Vergilius
lag. Hoe het zij, de stof, ofschoon aan anderen ontleend,
is geheel op Eomeinschen bodem overgebracht. Daarenboven
is zij zoo behandeld dat er een opklimming bestaat. De dich-
ter gaat namelijk steeds van het minder belangrijke over tot
hetgeen de aandacht meer moet boeijen, terwijl hij door
schoone, waarlijk dichterlijke episoden de lezing meer aantrek-
kelijk weet te maken.