Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit de werken van P. Vergilius Maro
Serie: Bloemlezing uit Latijnsche dichters met aanteekeningen, 3e stuk
Auteur: Vergilius Maro, P.; Kan, J.B.
Uitgave: Groningen: L. van Giffen, 1864
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 101 : 1e dr. (dl. 3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203285
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Klassieke Latijnse letterkunde
Trefwoord: Latijn, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit de werken van P. Vergilius Maro
Vorige scan Volgende scanScanned page
VI IJ
sche letterkunde tot de Romeinen, waar zij de_ woeste over-
winnaars weldra tot overwonnenen maakte. Alle werken uit
de gouden eeuw der romeinsche letterkunde dragen er den
stempel van en niet het minst die van onzen dichter. Wij
zullen dit nu in bijzonderheden aantoonen.
Het herdersdicht was het eerst zeer gelukkig beoefend door
een Syracusaan uit den alexandrijnschen tijd, Theocritus.
Zijne idyllen, beelden, schetsen naar het leven (fiStj, elSvXlux),
onderscheiden zich daardoor boven de gedichten zijner tijdge-
nooten, dat zij niet met een dwaas vertoon van geleerdheid
pronken en dat de herders naar het leven geteekend zijn. De
landlieden van Sicilië spreken bij hem eenvoudig en natuur-
lijk, zoo ook de stadbewoners; men krijgt een denkbeeld
van het volk. Niet zoo bij Vergilius. Hij gebruikt de per-
sonen, die hij sprekende invoert, om zijn eigen gemoedsge-
steldheid te beschrijven, zijne begunstigers te prijzen en hen
op te wekken om hem en het zijne te beschermen. De
taal zijner herders is die van de beschaafde Eomeinen in
zijne dagen. Maar tot «jn verontschuldiging kan worden
aangevoerd, dat hij iets anders bedoelde dan zijn groote
voorganger. Hij had met de meeste van zijn herdersgedichten
een bepaald doel voor oogen, zooals wij dat boven hebben
aangetoond, en daarom gebruikt hij de allegorie. Hij schikte
zich bovendien naar den smaak van zijn tijd, die in hetgeen
door zijn eenvoudigheid waarlijk schoon is, geen genoegen
meer vond. De smaak was overprikkeld. — Toch komt hem
bij vele schilderingen de lof toe van een schoonen vorm, van
een grooten rijkdom van beelden, van fijne zinspelingen op
zijnen toestand en dien van zijn tijd, en, wat wel het meest
in aanmerking komt, hij heeft de voor deze dichtsoort onge-
schikte latijnsche taal zoo weten te kneden, dat zij een
geschikt voertuig voor zijne gedachten werd. Daardoor vooral
heeft hij aan de eischen van zijn tijd voldaan, die gaarne