Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit de werken van P. Vergilius Maro
Serie: Bloemlezing uit Latijnsche dichters met aanteekeningen, 3e stuk
Auteur: Vergilius Maro, P.; Kan, J.B.
Uitgave: Groningen: L. van Giffen, 1864
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 101 : 1e dr. (dl. 3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203285
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Klassieke Latijnse letterkunde
Trefwoord: Latijn, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit de werken van P. Vergilius Maro
Vorige scan Volgende scanScanned page
BHB5W«- l. JJi - -J-yg^y
VII
landgenoot. Wij willen nu onderzoeken in hoeverre deze
zijn grooten naam en roem verdiend heeft.
Houdt men het voor een hoofdvereischte van een dichter,
dat al hetgeen hij schrijft of een gewrocht van zijn verbeel-
ding en van zijn genie is of dat hij ten minste de personen ,
en zaken, die hij schildert, door zijn eigen geest weet te
bezielen, dan heeft onze dichter zijn naam zeker niet verdiend.
Hij behoort tot de navolgers, niet tot de scheppende geesten.
Vergelijkt men hem met Homerus, dan kan de schaal niet
anders dan te zijnen nadeele overslaan. De oude Homerus
schildert met zoo jeugdige, frissche kleuren, dat alles leeft en
zich beweegt; de lezer meent zich te bevinden te midden van
dat bonte gewoel van strijdlustige helden, en gelooft met den
door de Goden gehaten zwerveling te dobberen op de baren,
waar allerlei gevaren, zooals alleen de verbeelding van een jong
volk ze scheppen kan, hem zoowel als des dichters held schij-
nen te dreigen. De taal is natuurlijk, de wonderen schijnen
het, de Goden worden door menschen begrepen, juist
omdat zij zoo geheel menschelijk zijn. En Vergilius? Voor
dat wij zijne verdiensten in de drie soorten van poëzij,
waaraan hij zijne krachten beproefde, bespreken, dient eene
algemeene opmerking vooraf te gaan. Behalve Homerus leverde
de Grieksche letterkunde hem vele andere voorbeelden ter
navolging. Kan zij ook al in bijna ieder vak op mees-
terwerken bogen, nadat Griekenland gedwongen werd Mace-
donie's juk te dragen, waren met de vrijheid ook hare
schoone dagen voorbij. Wel bleef men de kunst en de weten-
schap liefhebben en beoefenen; maar men bestudeerde te veel
wat het voorgeslacht nagelaten had, zonder zelf te scheppen.
Alexandrië in Egjrpte werd de plaats, waar veel werd gewerkt
of liever veel ouds verwerkt, en al wat vandaar kwam, was
al te zeer op één bepaalde leest geschoeid, te kunstmatig en
op weinige uitzonderingen na gekunsteld. Zoo kwam de griek-