Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit de werken van P. Vergilius Maro
Serie: Bloemlezing uit Latijnsche dichters met aanteekeningen, 3e stuk
Auteur: Vergilius Maro, P.; Kan, J.B.
Uitgave: Groningen: L. van Giffen, 1864
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 101 : 1e dr. (dl. 3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203285
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Klassieke Latijnse letterkunde
Trefwoord: Latijn, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit de werken van P. Vergilius Maro
Vorige scan Volgende scanScanned page
VI
naar Napels gebracht en aan de Via Puteolana bijgezet,
waar men nog in onze dagen den reiziger zijn graf toont,
dat evenwel slechts een columbarium is (*). Daar plantte
de groote Petrarca een laurierboom , dien Casimir de la Vigne
weder oprichtte.
Alleen op verzoek van zijne vrienden Varius en Tucca, zoo
luidt het verhaal, verbrandde hij het handschrift zijner Aeneis
niet ; bij testament vermaakte hij het hun met den last om al
wat onvoltooid was weg te strijken maar niets in te voegen.
In hoeverre zijn bevel uitgevoerd is, weten wij niet, slechts
melden eenige grammatici dat zij de vier eerste verzen van het
eerste boek en een plaats in het tweede boek hebben doorgehaald.
Wat voor de Grieken hun Homerus was, meenden de Ko-
meinen in Vergilius te hebben gevonden. Hij was hun
roem en kroon, zijne werken werden veel gelezen, dikwijls
afgeschreven en door velen gecommentarieerd. Wel beval de
waanzinnige Caligula alle exemplaren van zijne werken uit
de bibliotheken te verwijderen, maar wij bezitten nochtans
daarvan een vrij groot aantal handschriften. Van de vele
grammatici, die zijne werken verklaarden, noemen wij slechts
Servius Maurus Honoratus, die waarschijnlijk tegen het einde
der vierde eeuw leefde. Als eene bijzonderheid teekenen wij
nog aan, dat hem zelfs in de middeleeuwen eene bijgeloovige
hulde gebracht werd. Verzen uit de Aeneis dienden tot ora-
kels, bezweringen en tooverformulieren, waaruit volgt dat
Italie's in domheid en bijgeloof verzonken bewoners, hoe wei-
nig hun zijne gedichten zelf ook bekend waren, nog een flaauwe
herinnering behouden hadden aan den grooten naam van hun
(*) Columbaria zijn groote vierkante gebouwen, door een ge-
zelschap van particulieren gesticht, waar men zich een plaatsje
voor zijne asch konde koopen. De urnen werden regelmatig in
nissen geplaatst, zoodat het geheel veel overeenkomst had met oen
duiveslag en van daar de naam.