Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit de werken van P. Vergilius Maro
Serie: Bloemlezing uit Latijnsche dichters met aanteekeningen, 3e stuk
Auteur: Vergilius Maro, P.; Kan, J.B.
Uitgave: Groningen: L. van Giffen, 1864
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 101 : 1e dr. (dl. 3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203285
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Klassieke Latijnse letterkunde
Trefwoord: Latijn, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit de werken van P. Vergilius Maro
Vorige scan Volgende scanScanned page
gevolgen haar bestaan slechts kwijnend vóórsleepten, nieuwe
kracht en leven beloofde, dan zullen wij de kruipende vleije-
rijen in het licht van dien tijd beschouwd, minder bevreem-
dend en meer verschoonbaar vinden.
De laatste jaren zijns levens bracht de dichter vooral te
Tarente en te Napels door, waar het klimaat voor zijn zwak
gestel het meest geschikt werd gehouden. Vandaar ging hij
soms naar Eome om zijne goede vrienden te bezoeken. Te
Napels legde hij in het jaar 30 de laatste hand aan zijn
leerdicht over den landbouw in 4 boeken.
Was dit onderwerp recht nationaal bij een volk dat steeds
in den landbouw niet slechts een middel van bestaan, maar
ook een machtigen hefboom tot zijn geluk had gezien, niet
minder was dit het geval met het groote heldendicht, welks
doel de verheerlijking van Augustus, van het julische ge-
slacht en van het romeinsche volk was. De heerschende
dynastie, die hare heerschappij op onwettige wijze verworven
had, moest als 't ware gewettigd worden. De 13 boeken,
waaruit de Aeneïs bestaat, werden wel geschreven, maar de
laatste hand mögt de werkman niet aan zijn werk leggen,
de dood verhinderde hem daarin. Hij wenschte Griekenland
en Kleinazië te bezoeken, om daar zijn werk te voltooijen,
landen wier bodem, zoo rijk aan historische herinneringen,
ook een minder begaafden geest dichterlijk moest stemmen.
In het jaar 19 v. Chr. ging hij scheep en hij bereikte
gelukkig Attica's beroemde hoofdstad, die, ofschoon niet
meer wat zij in Pericles' tijden geweest was, nog steeds
de verzamelplaats van geleerden en kunstenaars mögt heeten.
Daar ontmoette hij Octavianus, die hem overhaalde om naar
Italië terug te keeren. Eeeds te Megara gevoelde hij zich
niet wel en naauwelijks had hij den voet weder op vader-
landschen grond gezet, toen de dood hem te Tarente of te
Brundisium verraste. Zijn gebeente werd op zijn verzoek