Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit de werken van P. Vergilius Maro
Serie: Bloemlezing uit Latijnsche dichters met aanteekeningen, 3e stuk
Auteur: Vergilius Maro, P.; Kan, J.B.
Uitgave: Groningen: L. van Giffen, 1864
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 101 : 1e dr. (dl. 3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203285
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Klassieke Latijnse letterkunde
Trefwoord: Latijn, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit de werken van P. Vergilius Maro
Vorige scan Volgende scanScanned page
IV
dinger Antonius dreigde te beginnen. Toen het losbarsten
van den storm door het verdrag van Brundisium vooreerst
bezworen was, wendde Maecenas, wien Pollio zijn bescher-
meling had aanbevolen, zijn invloed met goed gevolg aan,
en nogmaals kreeg Y. zijn landgoed terug. In de vierde
ecloga verheerlijkte hij Pollio, die pas consul was geworden,
evenzoo gaarne en van harte als hij ongaarne (men merkt
dat duidelijk uit de manier , waarop hij 't doet) in de zesde
zijne aan Varus gegevene belofte vervulde. Eene overwinning,
door Pollio op de oproerige Parthini, een volkstam in
Dalmatie, behaald, gaf den dichter aanleiding, om zijnen
vriend en beschermer nogmaals (in de achtste ecl.) te bezingen.
Behalve de machtige beschermers, die dit nieuwe soort van
gedichten hem bezorgde, verwierf Vergilius zich door zijne
bescheidenheid en goedhartigheid verscheidene vrienden , waar-
onder er zijn, die, even als hij, hunne namen door hunne
werken vereeuwigd hebben. We noemen hier slechts Proper-
tius en Horatius, van welke vooral de laatste in zijne ge-
dichten meermalen van de innige vriendschap gewaagt, die
hem aan V. verbindt.
De naauwe betrekking tot Octavianus en de loftuitingen
die hij steeds voor hem ten beste heeft, zouden hem in onze
dagen misschien veler afkeuring op den hals halen. Maar
men bedenke dat de toestand van den staat in zijne dagen
van dien aard was, dat slechts van een alleenheerscher heil
te hopen was. Door hun gedrag na dea met een edel doch
ijdel doel gepleegden moord van Caesar , hadden de ontaarde
Romeinen getoond, dat zij niet in staat waren om zich
zelf te besturen. Zij moesten met ijzeren hand geregeerd
worden, wilde men niet van kwaad tot erger komen. Voegt
men daarbij, dat de alleenheerscher Octavianus zijn wel-
doener was, en dat diezelfde man aan kunsten en weten-
schappen, die door de vernielende burgeroorlogen en hunne