Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit de werken van P. Vergilius Maro
Serie: Bloemlezing uit Latijnsche dichters met aanteekeningen, 3e stuk
Auteur: Vergilius Maro, P.; Kan, J.B.
Uitgave: Groningen: L. van Giffen, 1864
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 101 : 1e dr. (dl. 3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203285
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Klassieke Latijnse letterkunde
Trefwoord: Latijn, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit de werken van P. Vergilius Maro
Vorige scan Volgende scanScanned page
Ilt
dichter te danken aan de 10 bucolische gedichten of Eclogae ,
die hij, in navolging van zijn grieksche voorgangers en op
aansporing van C. Asiuius Pollio, tusschen de jaren 43—38
of 37, te midden van de door Antonius, Octavianus en
Lepidus verwekte beroeringen, schreef. Terwijl hij hier mede
bezig was, had eene reeds lang met bezorgdheid te ge-
moet geziene gebeurtenis plaats, de verdeeling van landerijen
onder de soldaten, die hun reeds sedert 43 beloofd was.
In de lente van 't jaar 41 zond Octavianus eene kolonie
veteranen naar Gallia Transpadana, om, tot straf voor haar
trouw aan de zaak van Brutus en Cassius, acht steden met
hare landerijen, en daaronder ook Cremona, in bezit te
nemen. Hiermede niet tevreden beroofden de soldaten ook
de grondbezitters van Mantua en Andes van hun eigendom
en een zekere Claudius verdreef Vergilius. Deze spoedde
zich naar Eome om van Octavianus herstelling in zijn bezit
af te smeeken; zijn verzoek werd ingewilligd, en we hooren
hem zijnen innigen dank daarvoor uitstorten in de eerste
Ecloga of het eerste zijner tien bucolische gedichten. Maar
nieuwe gevaren hingen den jeugdigen dichter boven het hoofd.
In 'tjaar 40 droeg Octavianus aan Alfenus Varus den last
op om de akkerverdeeling in Transpadaansch Gallië tot stand
te brengen. Wel beloofde Vergilius Varus te zullen bezin-
gen, zoo hij Mantua en omstreken spaarde, maar een groot
gedeelte der landerijen werd niettemin de buit der overmoe-
dige soldaten, en weinig scheelde het of een zekere Arrius
zoude V., die vol vertrouwen op de verkregen toezegging niet
wilde wijken, gedood hebben. Wederom zocht hij te Eome
hulp. Op het landgoed van zijn leermeester Syron schreef hij
de negende ecloga, waarin hij zijn treurig lot beklaagt,
die hij aan Octavianus overhandigde, toen deze in de hoofd-
stad terugkwam. Voorshands had O. geen tijd om zich met
dergelijke zaken te bemoeijen, want de strijd met zijn mede-