Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit de werken van P. Vergilius Maro
Serie: Bloemlezing uit Latijnsche dichters met aanteekeningen, 3e stuk
Auteur: Vergilius Maro, P.; Kan, J.B.
Uitgave: Groningen: L. van Giffen, 1864
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 101 : 1e dr. (dl. 3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203285
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Klassieke Latijnse letterkunde
Trefwoord: Latijn, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit de werken van P. Vergilius Maro
Vorige scan Volgende scanScanned page
102
xm.
Nisus erat portae custos, acerrimus armis,
Hyrtacides, comitem Aeneae quem miserat Ida
Venatrix, iaculo celerem levibusque sagittis,
Et iuxta comes Euryalus, quo pulchrior alter
5, Non fuit Aeneadum Troiana neque induit arma,
Ora puer prima signans intonsa inventa.
His amor unus erat pariterque in bella ruebant;
Tum quoque communi portam statione tenebant.
Nisus ait: Dine hunc ardorem mentibus addunt,
10. Euryale, an sua cuique deus fit dira cupido?
Aut pugnam aut aliquid iamdudum invadere magnum
Mens agitat mihi nec placida contenta quiete est.
Cernis, quae Rutulos habeat fiducia rerum:
Lumina rara micant, somno vinoque soluti
15, Procubuere, silent late loca. Percipe porro,
Quid dubitem et quae nunc animo sententia surgat.
Aenean acciri omnes, populusque patresque,
Xm. Op de Odyssee volgt de Ilias (Vgl Inleid, p. X). In de
omstreken van Laurenium geland, ontvingen de Trojanen van koning
Latinus verlof om zich daar te vestigen. Uij beloofde zelfs Aeneaa
zijne dochter Lavinia ten huwelijk. Maar Turnus, koning der Rutu-
Iers, wien Amata, Latinus* gemalin, tot haren schoonzoon bestemd
had, verbindt zich met Mezentius, den vorst van Caere in Etrurie,
en rust zich ten strijde. Ook de Latijnen weet hij voor zich ie win-
nen. Terwijl Aeneas zich verwijderd had om hij Evander ^ die dt
stad Pallanteum aan den oever van den Tiber gesticht had, hulp te
zoeken, sloot hij de legerplaats der Trojanen naauw in en maakte zich
gereed die te bestormen. Na het verhaal van deze gebeurtenissen,
vlecht onze dichter de volgende episode in. 3. ven. zijne moeder was
dus eene nymf, 6. prim. iov. het eerste dons der jeugd. Vgl. Od. X,
279. 7. am. — er. wederkeerige liefde verbond hen. Vgl. II. XVI,
219. — par. met denzelfden ijver. 9. Dine enz, Vgl, Od. IV, 712.
14. lam. wachtvuren. 16. quid dub. waarop ik zin.