Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit de werken van P. Vergilius Maro
Serie: Bloemlezing uit Latijnsche dichters met aanteekeningen, 3e stuk
Auteur: Vergilius Maro, P.; Kan, J.B.
Uitgave: Groningen: L. van Giffen, 1864
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 101 : 1e dr. (dl. 3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203285
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Klassieke Latijnse letterkunde
Trefwoord: Latijn, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit de werken van P. Vergilius Maro
Vorige scan Volgende scanScanned page
SI
100
460. Describent radio et surgentia sidéra dicent:
Tu regere imperio populos, Eomane, memento;
Hae tibi erunt artes; paeisque inponere morem,
Parcere subieetis et debellare superbos.
Sic pater Anchises atque haec mirantibus addit:
465. Aspice, ut insignis spoliis Marcellus opimis
Ingreditur victorque viros supereminet omnis!
Hic rem Eomanam magno turbante tumultu
Sistet, eques sternet Poenos Gallumque rebellem
Tertiaque arma patri suspendet capta Quirino.
470. Atque hic Aeneas; una namque ire videbat
Egregium forma iuvenem et fulgentibus armis,
Sed frons laeta parum et deiecto lumina voltu :
Quis, pater, ille, virum qui sic comitatur euntem?
Pilius, anne aliquis magna de Stirpe nepotum ?
475. Qui strepitus circa comitum! quantum instar in ipso!
Sed nox atra caput tristi circumvolat umbra.
Tum pater Anchises lacrimis ingressus obortis:
O gnate, ingentem luctum ne quaere tuorum;
Ostendeut terris hunc tantum fata neque ultra
480. Esse sinent. Nimium vobis Eomana propago
Visa potens, Superi, propria haec si doua fuissent.
Quantos ille virum magnam Mavortis ad urbem
460. rad. leekevpen, 465. Marc. M, Claudius Marcellus doodde
Viridomarus. veroverde Syracuse en verwierf zich in den tweeden
punischen oorlog den eernaam: liet zwaard van Rome. 469. tert.
De eerste spolia opima {buit van veldheer op veldheer behaald) won
Romulus, de tweede Cossus (451), de derde Marcellus. 475. quant.—
ips. Jloezeer gelijkt hij op hem {M. Claudius il/. .^.^het zwaard van /^ome").
De dichter bedoelt M. Claudius Marcellus, den zoon van Octavia,
de zuster van Augustus. Zijn edele inborst deed alles goeds van hem
hopen. Augustus nam hem tot zoon aan, gaf hem zijne dochter Julia
ten huwelijk en bestemde hem tot zijn opvolger. Hij stierf echter, pas
19 jaar oud, te Dajae.