Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit de werken van P. Vergilius Maro
Serie: Bloemlezing uit Latijnsche dichters met aanteekeningen, 3e stuk
Auteur: Vergilius Maro, P.; Kan, J.B.
Uitgave: Groningen: L. van Giffen, 1864
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 101 : 1e dr. (dl. 3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203285
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Klassieke Latijnse letterkunde
Trefwoord: Latijn, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit de werken van P. Vergilius Maro
Vorige scan Volgende scanScanned page
96
365. Adverses legere et venientum discere voltus.
Nunc age, Dardaniara prolem quae deinde sequatur
Gloria, qui maneant îtala de gente nepotes,
Inlustris animas nostrumque in noraen ituras,
Espediam dictis et tua fata docebo.
370. Ille, vides, pura iuvenis qui nititur hasta,
Proxuma sorte tenet lucis loca, primus ad auras
Aetherias Italo commixtus sanguine surget,
Silvius, Albanum nomen, tua postuma proies.
Quem tibi longaevo serum Lavinia coniunx
375. Educet silvis regem regumque parentem,
Unde genus Longa nostrum dominabitur Alba.
Proxumus ille Procas, Troianae gloria gentis.
Et Capys et Numitor et qui te nomine reddet
Silvius Aeneas, pariter pietate vel armis
380. Egregius, si umquam regnandam acceperit Albam.
Qui iuvenes! quantas ostentant, aspice, viris,
Atque umbrata gerunt civili tempora queren I
Hi tibi Nomentum et Gabios urbemque Eidenam,
Hi Collatinas inponent montibus arces,
385. Pometios Castrumque Inui Bolamque Coramque.
Haec tum nomina erunt, nunc sunt sine nomine teiTae.
Quin et avo comitem sese Mavortius addet
Eomulas, Assaraci quem sanguinis Ilia mater
Educet. Viden', ut geminae stant vertice cristae.
365. leg. monsteren. 367. man. nl, tibi, u ie wachten staan,
370. pur. h. een lans zonder ijzeren punt. Zij werd als belooning
voor betoonde dapperheid gegeven, 313. Silvius, na Ascanius dood
koning van Alba en stamvader van albaansche geslacht derSilviërsy
werd volgens de sage, in het woud geboren en opgevoed. 380. si —
Alb. Uij werd eerst op b3jarigen leeftijd koning, daar zijn voogd
zich van de regering had meester gemaakt, 382. Als stichters van
kolonies. 388. Ass. is adj. Vgl, IX, 273—275.