Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit de werken van P. Vergilius Maro
Serie: Bloemlezing uit Latijnsche dichters met aanteekeningen, 3e stuk
Auteur: Vergilius Maro, P.; Kan, J.B.
Uitgave: Groningen: L. van Giffen, 1864
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 101 : 1e dr. (dl. 3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203285
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Klassieke Latijnse letterkunde
Trefwoord: Latijn, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit de werken van P. Vergilius Maro
Vorige scan Volgende scanScanned page
83
Tum consanguineus Leti Sopor et mala mentis
Gaudia mortiferumque adverso in limine Bellum
Ferreique Eumenidum thalami et Diseordia demens
Vipereum crinem vittis innexa eruentis.
15. In medio ramos annosaque bracchia pandit
Ulmus opaca, ingens, quam sedem Somnia volgo
Yana teuere ferunt foliisque sub omnibus haerent.
Multaque praeterea variarum monstra ferarum,
Centauri in foribus stabulant Scyllaeque biformes
20. Et centumgeminus Briareus ac belua Lernae
Horrendum stridens flammisque armata Chimaera,
Gorgones Harpyiaeque et forma tricorporis umbrae.
Corripit bic subita trepidus formidine ferrum
Aeneas strictamque aciem venientibus offert
25. Et, ni docta comes tenuis sine corpore vitas
Admoneat volitare cava sub imagine formae,
Inruat et frustra ferro diverberet umbras.
Hinc via, Tartarei quae fert Acherontis ad undas.
Turbidus hie caeno vastaque voragine gurges
30. Aestuat atque omnem Cocyto eructat arenam.
Portitor has horrendus aquas et flumina servat
Terribili squalore Charon, cui plurima mento
Canities inculta iacet, stant lumina flamma,
Sordidus ex humeris nodo dependet amictus.
11. cons. Vgl II. XIV. 231. ~ mal. — gaud, vreugde over het
leed van een ander, 12. adv. tegenover het vestibulum. 16. volg.
aan alle kanten. 19. Sc. bif. Monsters als de ScyUa, met iioee lig-
chamen. 20. Eriar. Vgl II. L 402—404. '21. Chim. Vgl. II. VI.
179—183. 22. trie. u. De met drie hoofden, zes handen en zesvoeten
voorziene Geryon. 26. cav. — form. Zij zijn slechts iXSioXa. schijnge-
stalten, — adm. inr. Het praes. conj. van 't geen de dichter als mo-
gelijk of zelfs als waarschijnlijk denkt. Het plusqpf. conj. zou ie ken-
nen geven dat zonder die vermaning A. zich ongetwijfeld met het zwaard
op de schimmen zou hebben geworpen, 33. st. — flam. 2 y ne wijdopen-
gespalkte oogen schieten vuur.