Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit de werken van P. Vergilius Maro
Serie: Bloemlezing uit Latijnsche dichters met aanteekeningen, 3e stuk
Auteur: Vergilius Maro, P.; Kan, J.B.
Uitgave: Groningen: L. van Giffen, 1864
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 101 : 1e dr. (dl. 3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203285
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Klassieke Latijnse letterkunde
Trefwoord: Latijn, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit de werken van P. Vergilius Maro
Vorige scan Volgende scanScanned page
82
Ad caelum cum voce manus et munera libo
Intemerata focis. Perfeeto laetus honore
Anehisen facio certum remque ordine pando.
180. Adgnovit prolem ambiguam geminosque parentis,
Seque novo veternm deceptum errore locorum.
Tum memorat: Nate,Iliacis esercite fatis,
Sola mihi talis casus Cassandra canebat.
Nunc repeto haec generi portendere debita nostro
185. Et saepe Hesperiam, saepe Itala regna vocare.
Sed quis ad Hesperiae ventures litora Teueros
Crederet? aut quem turn vates Cassandra moveret?
Cedamus Phoebo et moniti meliora sequamur.
XH.
Ibant obscuri sola sub nocte per umbram,
Perque domos Ditis vacuas et inania regna:
Quale per incertam lunam sub luce maligna
Est iter in silvis, ubi caelum condidit umbra
5. luppiter et rebus nox abstulit atra colorem.
Vestibulum ante ipsum primisque in faucibus Orci
Luctus et ultrices posuere eubilia Curae;
Pallentesque habitant Morbi tristisque Senectus
Et Metus et malesuada Fames ac turpis Egestas,
10. Terribiles visu formae, Letumque Labosque;
177, 178. intern, mun. onvermengde gave d. i. zuivere wijn. 180.
gem. Teucer en Dardanus. 184. rep. (memoria) eam port. enz. —
XII. Van Sicilië vertrokken bereikt Aeneas eindelijk Italië. Ilij landt
bij Cumaa in Campanie, waar hij, overeenkomstig den raad hem door
de schim van zijn vader Anchises gegeven, de Sibylle, eene priesteres
van Hecate, opzoekt en onder haar geleide door een grot bij den
Lacus Avernus zich naar de onderwei'eld begeeft, ten einde van zijn
vader meer te vernemen omtrent het rijk, dat hij in Italië zal stichten.
2. in. r. schimmenrijk. 9. mal. Fam, Vgl. Od. XVII. 286—289.