Boekgegevens
Titel: Korte handleiding tot het gebruik der aardglobe bij het onderwijs in de wiskunstige aardrijksbeschrijving voor gymnasia, hoogere burgerscholen, instituten en tot zelfoefening
Auteur: Hennekeler, G. van
Uitgave: Assen: J.O. van Houten, 1867
4e verbeterde en verm. dr; 1e dr.: 1853
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4574
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203283
Onderwerp: Astronomie: praktische astronomie: algemeen, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Globes, Kosmografie, Tijdrekening, Positiebepaling, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte handleiding tot het gebruik der aardglobe bij het onderwijs in de wiskunstige aardrijksbeschrijving voor gymnasia, hoogere burgerscholen, instituten en tot zelfoefening
Vorige scan Volgende scanScanned page
75-
7. VRAAGSTUK.
De strekking of de streek mn den horizon te vinden van
'enige plaats B ten opzichte van eene andere plaats A?
Door de strekking of cle streek van den horizon van
eenïge plaats B, ten opzichte van de plaats A, verstaat
men den hoek, welken de boog eens grooten cirkels,
die over beide plaatsen wordt getrokken , met den
meridiaan van de plaats A maakt , of ook wel het
punt van den horizon van de plaats A, waar genoemde
groote cirkel den horizon van A snijdt.
' Liggen de beide plaatsen onder denzelfden meridi-
aan , dan is die hoek , dewijl de meridiaan zelf een
groote cirkel is, gelijk O®, en derhalve de streek noord
of zuid.
Lfggen de beide plaatsen onder den evenaar, dan
is, dewijl de evenaar ook een groote cirkel is, en
rechthoekig door de meridianen wordt gesneden , die-
hoek gelijk 9ö", en bijgevolg de streek oost of west.
In deze beide gevallen vindt men dus voor de streek,
des hörizons , waarin A ten opzichte van B gelegen is >
juist het tegenovergestelde punt van den horizon of
van de streek, waarin B ten opzichte van A ligt.
Liggen beide plaatsen A en B onder verschillende-
meridianen , tusschen den evenaar en de polen, dan^
zijn de -hoeken, welke de groote cirkel, die over de
plaatsen A en B wordt getrokken, met de meridianen
van A en B maakt, niet meer gelijk, waaruit dus