Boekgegevens
Titel: Korte handleiding tot het gebruik der aardglobe bij het onderwijs in de wiskunstige aardrijksbeschrijving voor gymnasia, hoogere burgerscholen, instituten en tot zelfoefening
Auteur: Hennekeler, G. van
Uitgave: Assen: J.O. van Houten, 1867
4e verbeterde en verm. dr; 1e dr.: 1853
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4574
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203283
Onderwerp: Astronomie: praktische astronomie: algemeen, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Globes, Kosmografie, Tijdrekening, Positiebepaling, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte handleiding tot het gebruik der aardglobe bij het onderwijs in de wiskunstige aardrijksbeschrijving voor gymnasia, hoogere burgerscholen, instituten en tot zelfoefening
Vorige scan Volgende scanScanned page
33. Bij dm overgang der lichtstralen uit de hemelridmte-
in, den dampkring der aarde en bij hunne verdere voortplantingi}
in den dampkring, dus steeds van eene dunnere vloeistof in eenet
dichtere (de dampkring wordt des te dichter hoe meer men de oardA
nadert,) worden zij door de straalbreking (refractio) voU-
gens eene kromme lijn gebogen, waarvan de holle zijde naarr
de aarde gekeerd is. Hieruit volgt dus, dat men de zon steeds'i
liooger boven den horizon ziet, dan zij werkelijk is, en dat/l
men de zon nog hoven den horizon waant, terwijl zij ziclA
reeds een weinig beneden den horizon bevindt. Daalt de zowi
nog verder beneden den horizon, clan hunnen hare gebroketun
stralen ons oog niet meer bereiken, maar wel de lioogere deelem
van den dampkring; van daar wordt een deel vau het opge-
vangen licht door terugkaatsing (rejlectio) tot ons oog gebracht,,
en de zon verlicht dus de aarde, rwdat zij reeds geruimen tijdd
onder- of nog niet opgegaan is, door hare stralen, die irut
den dampkring eerst gebroken, en dan tot ons oog wordewi
teruggekaatst.
Dit gereflecteerde of teruggekaatste zonnelicht, dat gemiddeldd
's morgens reeds waargenomen wordt, wanneer de zon zich nogtj
18» beneden den horizon bevindt en avonds eerst verdwijnt,,
wanneer zij tot 18" beneden den horizon is gedaald, noemt mean
morgen- en avondschemering (*).
(*) De verschillende toestanden van den dampkring, die grootenn
iövloed uitoefenen op den langoren of korteren duur der schemering,,
kunnen klaarblijkelijk hier niet in aanmerking worden genomen.