Boekgegevens
Titel: Korte handleiding tot het gebruik der aardglobe bij het onderwijs in de wiskunstige aardrijksbeschrijving voor gymnasia, hoogere burgerscholen, instituten en tot zelfoefening
Auteur: Hennekeler, G. van
Uitgave: Assen: J.O. van Houten, 1867
4e verbeterde en verm. dr; 1e dr.: 1853
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4574
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203283
Onderwerp: Astronomie: praktische astronomie: algemeen, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Globes, Kosmografie, Tijdrekening, Positiebepaling, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte handleiding tot het gebruik der aardglobe bij het onderwijs in de wiskunstige aardrijksbeschrijving voor gymnasia, hoogere burgerscholen, instituten en tot zelfoefening
Vorige scan Volgende scanScanned page
30
gordel der aarde daarom de heete of verzengde lucht-
streek (Zie no. 16.)
Bij den hemelstand onder den noordpoolcirkel, dus
op 65''32'30" noorder breedte, ligt het zomerzonne-
standspunt op den middag in het zuiden boven, en "'s
middernachts in het noordpunt in den horizon. Op den
längsten dag, den 21sten Juni, ziet men dus te mid-
dernacht de zon aan den noorder horizon. De langste
dag duurt onder den noordpoolcirkel derhalve 24 uren.
Op plaatsen tusschen 66"32'30" en 90%oorder breedte,
ziet men de zon dan ook in het noorden door den
meridiaan gaan
Bij den hemelstand onder den zuidpoolcirkel be-
schrijft de zon op den 22sten December een parallel-
cirkel , die den horizon in het zuidpunt aanraakt. Op
dien dag gaat aldaar de zon niet onder, of wat het-
zelfde is, de langste dag duurt aldaar 24 uren. De
bewoners , tusschen den zuidpoolcirkel en de zuidpool,
zien derhalve de zon ook in het zuiden door den
meridiaan gaan.
Voor de plaatsen der aarde , tusschen de poolcirkels
en de polen , beschrijft de zon of een zeer schuinen
dagboog, of zij wordt circumpolair, zoo dat zij een
(*) De zonnestralen geven des te grooter warmte, naarmate de
hoek, waarmede zij op de aarde vallen, minder vaa 90"^ verschilt,
want hoe minder die hoek van verschilt , des te meer zonnestra-
len vallen er op eene bepaalde uitgestrektheid en des te sterker zal
de verlichting en verwarming zijn