Boekgegevens
Titel: Korte handleiding tot het gebruik der aardglobe bij het onderwijs in de wiskunstige aardrijksbeschrijving voor gymnasia, hoogere burgerscholen, instituten en tot zelfoefening
Auteur: Hennekeler, G. van
Uitgave: Assen: J.O. van Houten, 1867
4e verbeterde en verm. dr; 1e dr.: 1853
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4574
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203283
Onderwerp: Astronomie: praktische astronomie: algemeen, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Globes, Kosmografie, Tijdrekening, Positiebepaling, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte handleiding tot het gebruik der aardglobe bij het onderwijs in de wiskunstige aardrijksbeschrijving voor gymnasia, hoogere burgerscholen, instituten en tot zelfoefening
Vorige scan Volgende scanScanned page
141
4. 1 de langste dag eindigt, ten tijde dat de zon 90®—a"
1 •) noorder declinatie in de. dalende teekens heeft.
De langste dag of de tijd, gedurende Avelken de zon
,1,;/ .niet ondergaat, is derhalve de tijd, dien dezonnoodig
heeft om van a» noorder declinatie in de klimmende
teekens tot aan a» noorder declinatie in de dalende
t.eekens te komen, en evenzoo is de langste nacht of
de tijd, gedurende welken de zon niet opkomt, gelijk
• aan den tijd, dien de zon besteedt om vau a® zuider
declinatie in de dalende teekens tot aan a° zuider de-
clinatie in de klimmende teekens te geraken. Gedurende
den overigen tijd van het jaar ziet men de zon dage-
lijks op- en ondergaan, Is a®=90®, dus 90»—a«=0 ,
hetgeen voor de polen der aarde plaats vindt, dan
volgt hieruit, dat daar de eene helft van het jaar dag
•en de andere helft nacht is.
Men ziet de zon voor het eerst opkomen , wanne^er
de lange nacht eindigt, dus als de zon 90°—a" zuider
declinatie in de klimmende teekens heeft, en men zal
de . zon voor het, laatst .zien ondergaan, ten tijde dat
.»ij 90»—a° zuider declinatie in de dalende teekens be-
komt.
Zoekt men derhalve de beide dagen van het jaar,
op welke de zuider declinatie der zon gelyk 90o—a"
(a°[> 66»32'30") is, volgens vraagstuk 20, dan vindt men
■de beide dagen, waarop de zon voor het eerst opkomt
en voor het laatst ondergaat, en dus ook den duur van
den längsten nacht, ,
Zoekt men daarentegen dc beide dagen, waarop de