Boekgegevens
Titel: Korte handleiding tot het gebruik der aardglobe bij het onderwijs in de wiskunstige aardrijksbeschrijving voor gymnasia, hoogere burgerscholen, instituten en tot zelfoefening
Auteur: Hennekeler, G. van
Uitgave: Assen: J.O. van Houten, 1867
4e verbeterde en verm. dr; 1e dr.: 1853
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4574
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203283
Onderwerp: Astronomie: praktische astronomie: algemeen, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Globes, Kosmografie, Tijdrekening, Positiebepaling, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte handleiding tot het gebruik der aardglobe bij het onderwijs in de wiskunstige aardrijksbeschrijving voor gymnasia, hoogere burgerscholen, instituten en tot zelfoefening
Vorige scan Volgende scanScanned page
140-
gedeelte der aarde; dag en nacht ïijn dus weder even>
laiig. Hierna verkrijgt de zon weder zuider declinatie:
de noordpool, die op den 28 September in het vlak:
• van den schaduwcirkel viel, komt thans beneden dit;
' vlak, en men ziet , dat het gedeelte van den parallel^
■ cirkel boven den schaduwcirkel des te kleiner wordt,,
naarmate de zuider declinatie der zon grooter wordt..
Is de zuider declinatie tot 20° aarigegroeid, dan valt
de parallelcirkel geheel beneden den schaduwcirkel,
• doch raakt dien nog aan. Dit is het begin tan den
" 'längsten nacht; de parallelcirkel verwijdert zich thans,,
benedén den schaduwcirkel, hoe langer hoe verder
van dezen, totdat de zuider declinatie der zon hett
grootst is, dus tot den 22 December, na welken dag;
de parallelcirkel den schaduwcirkel weder begint te:
naderen en de zuider declinatie iir de klimmende tee- ■
kens afneemt. Is die declinatie tot 2 0» verminderd,
1 dan raakt de parallelcirkel den schaduwcirkel weder -
aan of eindigt de lange nacht, en komen dezelfde ver- ■
schijnselen in dezelfde orde terug.
Uit het voorgaande ziet men derhalve, dat, wanneer
eenige plaats van de noorder koude luchtstreek a»
noorder breedte heeft,
1. de langste nacht begint, ten tijde dat de zon 90°—a°
zuider declinatie in de dalende teekens heeft;
2. de langste nacht eindigt, wanneer de zon 90®—a»
zuider declinatie in de klimmende teekens heeft,
3. de langste dag begint, wanneer de zon 90°—
noorder declinatie in de klimmende teekens heeft,