Boekgegevens
Titel: Korte handleiding tot het gebruik der aardglobe bij het onderwijs in de wiskunstige aardrijksbeschrijving voor gymnasia, hoogere burgerscholen, instituten en tot zelfoefening
Auteur: Hennekeler, G. van
Uitgave: Assen: J.O. van Houten, 1867
4e verbeterde en verm. dr; 1e dr.: 1853
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4574
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203283
Onderwerp: Astronomie: praktische astronomie: algemeen, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Globes, Kosmografie, Tijdrekening, Positiebepaling, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte handleiding tot het gebruik der aardglobe bij het onderwijs in de wiskunstige aardrijksbeschrijving voor gymnasia, hoogere burgerscholen, instituten en tot zelfoefening
Vorige scan Volgende scanScanned page
120
de zou bevindt zich dus in dezen stand in de lijn, dia
in het middelpunt der aarde loodrecht op den horizooa
der globe staat: die horizon is bijgevolg de schaduw^
cirkel voor den gegeven dag. De as des hemels heltt
mef een hoek op het vlak van den scliaduicdrkel, die«
gelijk is aan de noorder of zuider declinatie der zon ..
en de stand van de as der globe , met betrekking tott
den horizon der globe, is dezelfde, als die vaa dee
hemelas tot den schaduwcirkel.
Beweegt men nu de globe om hare as in de richting,'
^ van de eigenlijke omwenteling der aarde, dus van heft
. westen naar het oosten , dan ziet men :
1. aan den westelijken horizon steeds die plaatsen den
aarde, die de zon tegelijk zien opgaan ;
2. dat al de plaatsen der aarde door het toppuntt
gaan, die op dien dag de zon in het toppunt hebbenJi
3. aan den oostelijken horizon steeds die plaatsen,:,
waar men de zon op 't zelfde oogenblik ziet ondergaan;;
4. dat, wanneer de zon noorder declinatie heeft, de?
noordpool, en wanneer zij zuider declinatie heeft, de;
zuidpool der aarde steeds in het verlichte deel valt;
5. dat de grensparallellen voor de plaatsen der aarde,,
waar de zon op dien dag niet ondergaat en niet op--
komt, even zoo ver van de noord- eu zuidpool verwij-,
derd zijn , als de noorder of zuider declinatie der zon i
bedraagt; dat de plaatsen , onder die grensparallellen i
gelegen, een dag of nacht van 24 uren hebben, naar--
mate die parallelcirkel boven of beneden den schaduw--
cirkel gelegen is, en dat eindelijk al de plaatsen der ■