Boekgegevens
Titel: Korte handleiding tot het gebruik der aardglobe bij het onderwijs in de wiskunstige aardrijksbeschrijving voor gymnasia, hoogere burgerscholen, instituten en tot zelfoefening
Auteur: Hennekeler, G. van
Uitgave: Assen: J.O. van Houten, 1867
4e verbeterde en verm. dr; 1e dr.: 1853
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4574
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203283
Onderwerp: Astronomie: praktische astronomie: algemeen, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Globes, Kosmografie, Tijdrekening, Positiebepaling, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte handleiding tot het gebruik der aardglobe bij het onderwijs in de wiskunstige aardrijksbeschrijving voor gymnasia, hoogere burgerscholen, instituten en tot zelfoefening
Vorige scan Volgende scanScanned page
91-
der zon of den dag van het jaar en de rechte opklimming te
vindend (*)
Men draaie de globe tot zich de gegeven noorder
of zuider declinatie van een klimmend teeken of die
van een dalend teeken aan den verdeelden rand van den
algemeenen meridiaan bevindt, en zie dan den graad
van de ecliptica, die tegelijk aan den rand des meri-
diaans staat: vervolgens ziet men op den horizon o^
in een sterrekundig jaarboek , met welken dag des jaars
deze gevondene lengte der zon overeenstemt ; bij het
snijpunt van den algemèenen meridiaan met den equa-
tor leest men verder de rechte opklimming der zon af.
^Nemen wij b, v. aan dat de zon 12® noorder decli-
natie heeft in de klimmende teekens , dan draaie men
de globe zoo lang tot het punt van de ecliptica, dat
met 12® noorder declinatie overeenstemt (dit ziet men
terwijl de ecliptica door den algemeenen meridiaan
gaat) aan den verdeelden rand des algemeenen meri-
diaans staat: men vindt dan den 32sten graad in de
ecliptica. Zoekt men verder op den horizon met wel-
ken dag van het jaar deze gevondene lengte der zon
overeenkomt, dan zal men den 2 2 April vinden. Bij
(*) Men inerke hier op, dat de volstrekte grootte der declinatie of
afwijking der zon op 4 tijden van het jaar gelijk is, dat die 4 tijdeo
met 4 verschillende rechte opklimmingen en met 4 verschillende leng'
tender zon overeenstemmen, 't Is daarom, dat de nadere bepaling
der declinatie, en of de zon zich in een klimmend of dalend teeken
bevindt, hier noodig is.