Boekgegevens
Titel: Het teekenonderwijs op de lagere school
Auteur: Kruseman, Arie Cornelis
Uitgave: Haarlem: Erven Loosjes, 1880 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: KVB VHBr. 1:1
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203275
Onderwerp: Kunstwetenschappen: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van de kunstwetenschappen
Trefwoord: Tekenen, Vakdidactiek
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het teekenonderwijs op de lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
37
van consument moet gelyktgdig zyn. Vraagt iemand waartoe
die ontwikkeling, welke alleen bestemd schynt om den voort-
brenger een verbruiker, en den verbruiker een voortbrenger te
doen vinden, ik wys hem in de eerste plaats op de wet van
vooruitgang en beschaving die de veredeling van ieder mensche-
Igk streven eischt, en vordert dat de aangeboren zin om te
•onderscheiden tusschen schoon en leelyk, tusschen sierlijk en
wanstaltig, even goed ontwikkeld worde, als de zucht om het
goede en het ware te onderscheiden van het slechte en het
valsche."
Jonkhr. Mr. Victor de Stuers, Unitis Viribus,
de Gids, November 1875. Van dezen zelfden baanbreker
op het gebied van kunstontwikkeling hier te lande, verzuime
men niet herhaald te lezen zyne overige opstellen: Holland
op zgn smalst, in de Gids van November 1873, Itere-
tur Decoctum, in de Gids van November 1874.
' Als een derden getuige omtrent de wenschelgkheid van
een verbeterd onderwijs op de lagere school noemen wg den
Heer H. G. Eoodhuyzen. Zie zyn uitnemend opstel: Een drin-
gend volksbelang, in de Gids van April dezes jaars.
' Wy herinneren hier aan de schoone woorden van Prof.
A. Pierson, in zyn ge.schrift, De beteekenis der kunst
voor het zedelgk leven: „Ontwyfelbaar, dat de goede
smaak ook in het dagelgksch leven den mensch met afkeer ver-
vult tegen al wat ruw en gemeen is. Hoe zou ons oog, in de
kunst aan orde en overeenstemming gewoon, in ons eigen ge-
drag vrede kunnen hebben met wanorde en bandeloosheid, of
ons oor, in de kunst wederom aan harmonie gewend, in het
gewoon verkeer de wanklanken kunnen dulden van de brood-
dronkenheid, van den haat, van de afgunst.
„De kunst werkt veredelend op ons karakter terug, en mis-
schien dat deze taak haar bij uitnemendheid in onzen tijd is
opgedragen. \^^elligt mag juist zij zich geroepen rekenen, om
die hoogere goederen der menschheid te bewaren en in eere te
houden, die door een praktisch materialisme zoowel als door een
beklagenswaardige bekrompenheid, die voor het rijke menschen-
leven niets dan afkeer gevoelt, jammerlyk dreigen verloren
te gaan. Waar andere krachten ontoereikend schijnen om de