Boekgegevens
Titel: Het teekenonderwijs op de lagere school
Auteur: Kruseman, Arie Cornelis
Uitgave: Haarlem: Erven Loosjes, 1880 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: KVB VHBr. 1:1
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203275
Onderwerp: Kunstwetenschappen: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van de kunstwetenschappen
Trefwoord: Tekenen, Vakdidactiek
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het teekenonderwijs op de lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
20
daar iets behartigenswaardigs in. Wij verlangen waarlijk
naar die dagen van weinig leeren niet terug, wij zegenen
het licht van onzen tijd met heel onze overtuiging. Maar
bij de erkenning dier voorrechten, laat ons toch niet
voorbijzien, hoe de arbeid der handen niet geheel mag
ter zijde gezet worden voor het werken met het hoofd.
De aanstaande ambachtsman heeft, ook in de allereerste
jaren zijner opvoeding, leiding noodig in de oefening
zijner oogen en vingers, waarmee hij weldra zijn brood
moet verdienen voor zich en de zijnen. Die lenige handjes,
voor elke beweging zoo vatbaar, vragen er om dat zo
niet werkeloos worden gelaten. Met ziel, maar ook met
lichaam geeft het kind zich over, opdat ook de school hem
gaandeweg voor zijne bestemming bekwamen zou. Neem
hem toch niet in pacht voor het eene, met verwaarloozing
van het andere: hij moet werkman worden, niet „een
eenigszins ontwikkeld staatsburger" alleen. Straks, .als
de schooltijd voorbij is en de jongeling aan het verdienen
moet, zal hij betaald worden naar zijne bekwaamheid,
zal het de vraag zijn of hij in de schakel der maatschap-
pij zal gebruikt worden als een geesteloos werktuig, of
dat hij zal optreden als werkman met zelfstandige kracht.
Iets later zullen zijne vrouw en kinderen afhankelijk zijn
van zijn loon: hij zal zich en de zijnen betamelijk kunnen
huisvesten en vceden, of hij zal een proletariër worden
en in zijn nageslacht het getal der ontevredenen verveel-
voudigen. Onthouden wij hem de gelegenheid niet, zich
voor het eerste te bekwamen, en bewaren wij hem {en
ons zeiven!) voor het laatste. Als hij de maatschappij
binnentreedt geve ook de school hem mede wat hem toe-
komt, geljjk zij dit medcgeeft aan zijne meergegoede tijd-
genooten: vaardigheid om zich een baan te openen en