Boekgegevens
Titel: Het teekenonderwijs op de lagere school
Auteur: Kruseman, Arie Cornelis
Uitgave: Haarlem: Erven Loosjes, 1880 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: KVB VHBr. 1:1
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203275
Onderwerp: Kunstwetenschappen: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van de kunstwetenschappen
Trefwoord: Tekenen, Vakdidactiek
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het teekenonderwijs op de lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
19
knap worden, maar ook goed; hij wil, dat ze niet alleen
van buiten leeren , maar ook leeren zien, denken, ge-
voelen en door het opwekken van het schoone een tegen-
zin krijgen van het leelijke; hij wil, dat zij indrukken
bekomen, die niet vervloeien onder de dagelijksche be-
slommeringen , maar die ze meêdragen en die blijvend
zijn voor het leven. En wat voor moeite en kosten zou
dat inhebben? vraagt hij. Een weinig hart en kennis
van den meester, die door spreken en aanwijzen zooveel
vermag, en een weinig opsieren der sehoolwanden met
platen en schoone vormen, dat toch zoo heel veel geld
niet vordert.
Geldt dit warme betoog den zedelijken ernst van
de opwekking van het schoonheidsgevoel bij de volks-
klasse , wij, mannen van nijverheid, zetten onzen aandrang
ten behoeve der praktijk daarnevens. Wij spreken
vooral ook in het stoffelijk belang der toekomstige arbei-
dersklasse, als wij met den Heer van Duinen meegaan.
Wij eischen teekenonderwijs voor dit deel des volks niet
als' een gunst, maar wel degelijk als een recht. Waar
in de laatste jaren zooveel is gedaan voor, zulke schat-
ten zijn te kosten gelegd aan het hooger- en middelbaar
onderwijs; waar voor den gegoeden stand zoo ruime
deuren zijn opengesteld om zich naar alle zijden te ont-
wikkelen , daar laten wij, ny veren, in naam van den
minderen man, eene aanspraak gelden op een zorgvul-
diger voorbereiding tot zijne praktijk. Laat het een drog-
reden schijnen, als wij beweren dat de kunstvlijt van ons
vaderland in de 17e eeuw een deel van haren bloei te
danken had hieraan, dat er toen niet zooveel te leeren
viel, maar dat de knaap van zijn prilsten dag afaan
werd opgeleid in het kunstvak zijns vaders, toch ligt