Boekgegevens
Titel: Het teekenonderwijs op de lagere school
Auteur: Kruseman, Arie Cornelis
Uitgave: Haarlem: Erven Loosjes, 1880 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: KVB VHBr. 1:1
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203275
Onderwerp: Kunstwetenschappen: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van de kunstwetenschappen
Trefwoord: Tekenen, Vakdidactiek
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het teekenonderwijs op de lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
16
gevolg? Eensdeels dit, dat de ondergeschikten veel meer
dan voorheen in de macht staan hunner patroons, die
door overproductie of' concurrentie gedwongen kunnen
worden hunne werklieden, al is het ook tijdelijk, af te
danken en broodeloos te laten; anderdeels dit, dat die
ondergeschikten, om het karige loon dat ze ontvangen
en om hunne onhoudbare stelling in de maatschap]);), in
verzet komen tegen hunne meerderen.
Wij zijn er in onze dagen overvloedig getuigen van ,
hoe , gelukkig hier veel minder dan in het buitenland ^
die beide standen in gedurige botsing komen; hoe aan
den eenen kant de industrie, voor zich zelve reeds kam-
pende met scherpe mededinging, bovendien bedreigd wordt
door werkstaking of door hooger eischen van loon dan
zij kan inwilligen; en aan de andere zijde, hoe de
arbeidersklasse, ontevreden met haar lot in de schakel
der samenleving, zich voor hare belangen Inngs allerlei
meer of minder geoorloofde wegen ten strijde aangordt.
Zonder tegenspraak is dit eene wonde plek in de
maatschappy onzer dagen. Op de keper beschouwd zijn
het toch maar vrij sobere troostgronden en maatregelen,
die de hooger geplaatste stand aanwendt om voorloopig
deze tweespalt in het effen te houden. De gemoedelijke
bewering, dat er in de orde der dingen noodwendig
grooteren en kleineren moeten zijn, en dat de mindere
aan den meerdere ondergeschikt dient te wezen; de zorg-
zame philanthropie, die in hare aansporingen tot spaar-
zaamheid en arbeidzaamheid met raad, in hare fondsen
van liefdadigheid metterdaad te hulp wil komen, draagt
een karakter van zedelijke en stoffelijke hoogheid, en is
met hare niet altoos even kiesch toegepaste stelsels
weinig in staat den ontevredene tot dankbaarheid om te