Boekgegevens
Titel: Het teekenonderwijs op de lagere school
Auteur: Kruseman, Arie Cornelis
Uitgave: Haarlem: Erven Loosjes, 1880 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: KVB VHBr. 1:1
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203275
Onderwerp: Kunstwetenschappen: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van de kunstwetenschappen
Trefwoord: Tekenen, Vakdidactiek
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het teekenonderwijs op de lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
14
heid geeft a,an den blik en de vingers, dat regelmatige
lijnen en figuren leert vormen en van zelf tot samenstel-
lingen leidt, die het kind als eigen werk zelf leert vinden
en hefhebben; een zuiver didactiesch onderwijs, waarvan,
bij voortzetting en weder voortzetting, het aesthetische
het natuurlijke gevolg moet worden. Men is tot de volkomen
overtuiging gekomen, dat zulk teekenen op het school-
program voor het minst evenveel recht heeft als het
schrijven, en dat het van den allerjongsten tijd af met
alle zorg op alle scholen, zonder uitzondering, dient te
worden behartigd. Geen onderricht toch leert onwillekeurig
en zonder inspanning zoo scherp waarnemen, zoo fijn
opmerken, zoo getrouw weergeven en waar zijn, als zulk
teekenen. Op de lagere school is dit het eenige middel
om oog en hand eenigszins voegzaam te oefenen; daar-
gelaten nog de groote invloed, dien het later moet hebben
op de ontwikkeling van eenigen schoonheidszin. Voor
ieder welopgevoed mensch, man of vrouw, is het als het
ware een tweede, een algemeene — en een internationale —
taal, waarin hij bij machte is uit te drukken wat zich
in woorden alleen met omwegen omschrijven laat. Maar
voor den industrieel en voor den ambachtsman, die leven
moet van het werk zijner handen, die met het oog en
met de vingers zijn werktuig richten moet, die iets moet
maken of namaken, en die in zijne bekwaamheid en han-
digheid zijn bestaan moet vinden, voor dezen is het niet
minder dan eene levensvraag, en wordt het dit al meer
en meer, naar mate de nijverheid voor een groot deel
hare waarde gaat ontleenen aan vaardigheid en kunst.
Voor den nijvere in het bijzonder, voor den eenvou-
digen werkman allermeest. Dit is van beteekenis.