Boekgegevens
Titel: Het teekenonderwijs op de lagere school
Auteur: Kruseman, Arie Cornelis
Uitgave: Haarlem: Erven Loosjes, 1880 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: KVB VHBr. 1:1
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203275
Onderwerp: Kunstwetenschappen: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van de kunstwetenschappen
Trefwoord: Tekenen, Vakdidactiek
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het teekenonderwijs op de lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
10
denkend, zelfstandig en handelend wezen, moest van
der jeugd afaan niet slechts gevoed worden met wat
kennis, maar wel degelijk ook leeren zien, toepassen en
arbeiden. Het kennen was voor den mensch niet genoeg,
het kunnen stond hooger. Weten was zijn plicht, maar
werken zijn roeping. Het was een averechtsche goed-
hartigheid, het kind toe te geven aan de luimen van
zijn broek- en scheurzucht, in plaats van het bedacht-
zaam te gewennen aan regelmatigheid en orde; het kon
bij zijn spelen even goed, en met veel meer vrucht,
gewend worden aan maken, dan aan vernielen; het kon
even goed, en met veel meer genot, gebracht worden
tot het opvangen en in zich opnemen van het wellui-
dende, het schoone, dan van het schrille en het wan-
staltige. Moest, evenzeer als armen en beenen door tasten
en kruipen, het oor niet worden geoefend in hooren,
het oog in zien; en waar de ouders het hart vasthielden
voor de gevaren van het kneuzen der teêre lichaams-
deelen, mocht men daar de edelste zintuigen, die de
telegraafdraden zijn naar hoofd en gemoed, zoo gansch
onverschillig overlaten aan eigen spel en willekeur? Was
er geen onevenredigheid in, opgetogen te staan bij de
eerste verrassende openbaringen van het verstandsleven,
en zoo bitter weinig acht te slaan op het heerlijke werktuig
der hand? Ontwikkeling van eigen, persoonlijke kracht,
lichamelijk, redelijk en zedelijk, was de weg tot zelfstan-
digheid en karakter; en werd er maar niet al te veel
gedaan en nagelaten, om het kind te verlagen tot een
naklapper, nabootser en naknutselaar? Aan ieder mensch
gaf de milde, zorgzame natuur fijn bewerktuigde, tot
alles bekwame oogen, handen en hersenen meê, als een
uitzet in het kostelijke leven; maar hoe betrekkelijk