Boekgegevens
Titel: Het teekenonderwijs op de lagere school
Auteur: Kruseman, Arie Cornelis
Uitgave: Haarlem: Erven Loosjes, 1880 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: KVB VHBr. 1:1
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203275
Onderwerp: Kunstwetenschappen: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van de kunstwetenschappen
Trefwoord: Tekenen, Vakdidactiek
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het teekenonderwijs op de lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
9
geven en voor het eerst de kwestie aan het groote oor-
deel der algemeene niaatschappy onderworpen. Gelijk
allen hervormers te beurt pleegt te vallen, waren ook zijne
eerste pogingen met een glimlach van twijfel ontvangen,
waren zijne duistere, wijsgeerig ingekleede redeneerin-
gen als machtspreuken van een dweper ter zijde gesteld.
Zijne praktische proeven van een opvoeding in de natuur,
van zijne kindertuinen, van zijn spelen en knutselen,
waren meer als eene daad van goedhartigheid, dan als
een weldoordacht systeem der opmerkzaamheid waardig
gekeurd. Fröbel verliet de wereld onvoldaan met zich
zeiven, onvoldaan met de vruchten die hij gezien had
van het zaad, dat hij met zulk een blijde, zulk een
geestdriftige hoop in de voren had gestrooid. Maar toen
hij dood was en dezen en genen over zijn leven en stre-
ven begonnen na te denken; toen 's mans uitgesproken
orakeltaal door nuchtere en onbevangen verstanden werd
opgevangen, gewikt en gewogen, toen moesten toch de
mannen van opvoeding en ervaring erkennen, dat er in
deze ideale begrippen veel waars en bruikbaars was,
veel, dat van aanmerkelijken invloed zou kunnen wor-
den bij de opleiding van het geslacht der toekomst.
ï^r was toch wel wat waars in zijne bewering, dat het
kind van zijne eerste bewustheid af niet maar zoo aan
zich zelf, aan de vrije natuur of aan het toeval mocht
worden overgelaten, maar dat het met tact en rede
diende geleid en voortgeholpen te worden in de regel-
matige ontwikkeling zijner lichamelijke en geestelijke
vermogens; dat de rijke natuur van den mensch recht
had niet alleen op stuksgewijze, verbrokkelde, maar
op een algemeene harmonische zorg ' Wie eenmaal
in de maatschappij zijne plaats zou innemen als een