Boekgegevens
Titel: Leerplichtigheid
Auteur: Kerdijk, A.; Opzoomer, C.W.
Uitgave: Utrecht: J.L. Beijers, 1870
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Br. N a 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203258
Onderwerp: Onderwijs: recht op onderwijs
Trefwoord: Leerplicht
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerplichtigheid
Vorige scan Volgende scanScanned page
voor het onderwijs, een som die in 1868reeds tot £ 625,000
gestegen was Wat meer zegt, de belofte, ten vorigen
jare door den minister van onderwijs Fors ter afgelegd,
om in de volgende zitting van het Parlement een wet op
het onderwijs te zullen indienen, werd in alle deelen des
rijks als een ware verlossing begroet
Zoo luidt ook art. 194 onzer Grondwet: „Het openbaar
onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der
regering"; terwijl al. 3 er bijvoegt: „Er wordt overal in
het rijk van overheidswege voldoend openbaar lager onder-
wijs gegeven."
Het belang van den staat bij het volksonderwijs is du»
algemeen erkend; maar, dat dat belang zijn bevrediging
vinde, daarvoor is lang niet overal voldoende gezorgd:
verscheiden staten zijn teruggedeinsd voor het schrikbeeld
der leerplichtigheid. Verscheiden staten zeg ik; riet alle.
Want, terwijl én in Engeland én in Frankrijk een talrijke
partij tot heden te vergeefs de leerplichtigheid geeischt
heeft; terwijl zij in België in 1859 ten onzent in 1857 *)
(al was het daa ook onder den vorm van schoolgeldplichtig-
') Cf. Dudley Campbell: „Compulsory education" in de Westminster
Review van April 1869.
«) Onder het afdrukken dezer bladzijden komt het bericht tot ons, dat
Forster de beloofde wet heeft ingediend; zij heeft leerplichtigheid ten grondslag.
Van de 81 Kamerleden verklaarden zich slechts 5 vóór de leerplichtigheid.
*) Bij de behandeling der thans vigerende schoolwet stelde de heer Blaupot
teu Ca te het volgende amendement voor: „In art. 33 al. 1 te lezen de woorden
„vooT ieder kind tusschen 6 en 12 jaar" in plaats van „voor ieder schoolgaand
kind". En hierop als al. 2 te laten volgen: „deze heffing heeft geen plaats
ten opzichte vau kinderen, waarvan bewezen wordt, dat zij geregeld huis- of
bijzonder onderwijs ontvangen. Het bewijs daarvan moet worden geleverd aan
het dagelijksch bestuur der gemeente, door de getuigenis 't zij van wijk- of
buurtmeesters, 't zij van ten minste twee bekende en geloofwaardige mannen".
Na een korte discussie verklaarden zich slechts 12 leden vóór het amendement:
de HH. van Deinse, Sander, Wintgens, Taets van Araerongen,
Nolthenius, Zijlkers, van der Veen, Reinders, Blaupot ten Cate,
van Heiden Reinestein, vau Eek, J. K. van Goltstein.