Boekgegevens
Titel: Leerplichtigheid
Auteur: Kerdijk, A.; Opzoomer, C.W.
Uitgave: Utrecht: J.L. Beijers, 1870
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Br. N a 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203258
Onderwerp: Onderwijs: recht op onderwijs
Trefwoord: Leerplicht
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerplichtigheid
Vorige scan Volgende scanScanned page
56
zóó eng mogelijk getrokken willen zien. Het verstrekken
van onderwijs beschouw ik als een eerste verplichting der
ouders; wie het slechts eenigzins betalen kunnen, moeten
er toe gehouden zijn, en alleen de geheel onvermogenden
moeten door de gemeenschap geholpen worden. Kosteloos
onderwijs is een bedeeling, even goed als alle andere; en
iedere onderstand, wil hij goed werken, moet uitgaan van
het beginsel, dat niet meer gegeven worde dan strikt
noodig is. Hoe zou binnen deze enge grenzen het kosteloos
onderwijs, zelfs bij wettelijke leerplichtigheid, een gevaar
kunnen worden voor de bijzondere school ?
6°. Bij onze bestaande schoolwetgeving zou de leerplich-
tigheid op vele plaatsen niets anders zijn dan het verplichte
bezoek der openbare school, waartegen velen gemoedsbezwaren
hebben. Zoo zou de leerplichtigheid gewetensdwang worden;
en reeds daarom alleen is haar invoering in ons vaderland
onder de bestaande omstandigheden een zedelijke onmoge-
lijkheid.
Die tegenwerping vernemen wij van liberalen zoowel als
anti-revolutionairen en ultramontaanschen kant: alle op-
positie, al laat zij zich aan alle zijden van het vraagstuk
gelden, concentreert zich bij uitstek op dit punt.
Ik begin met de bestrijding mijner liberale tegenstanders.
Het is hier natuurlijk niet de plaats, de geheele school-
kwestie te bespreken. Of door verandering van sommige
bepalingen der schoolwet enkele grieven uit den weg ge-
ruimd kunnen worden; of het woord „christelijk" geschrapt
moet worden uit art. 23 der wet van 1857; of art. 33 niet
facultatief, maar imperatief gesteld moest zijn — deze en
dergelijke vragen zijn door den Heer Groen van Prin-
ster e r met recht „beuzelarijen" genoemd. En diezelfde leader
der anti-revolutionaii'e partij voegde er bij, dat zij, die hij
de verdrukten en verongelijkten noemt, niet zullen rusten
vóórdat zij verkregen hebben, wat zij noodig achten voor