Boekgegevens
Titel: Leerplichtigheid
Auteur: Kerdijk, A.; Opzoomer, C.W.
Uitgave: Utrecht: J.L. Beijers, 1870
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Br. N a 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203258
Onderwerp: Onderwijs: recht op onderwijs
Trefwoord: Leerplicht
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerplichtigheid
Vorige scan Volgende scanScanned page
4r)
Zoo besloot eindelijk ook de Nederlandsche commissie, op
28 November 1867, haar eindverslag over „den toestand
der kinderen in de fabrieken arbeidende" met deze woorden :
„Schoolplichtigheid is dan ook, onzes inziens, het meest
redelijke en het meest doeltreffende der wettelijke middelen,
om de lichamelijke en zedelijke ontwikkeling van het kind
te verzekeren en te bevorderen. Naar onze meening zullen
alle andere wettelijke maatregelen op den duur slechts te-
leurstelling geven, en óf onvruchtbare voorschriften blijken
te zijn óf slechts tot verplaatsing niet tot wegruiming van
het kwaad leiden. Noch de bepaling van een minimum van
leeftijd voor het fabriekskind kunnen wij aani-aden, noch
een reglementering van de werkuren, liet ééuig middel,
van hetwelk wij goede uitkomsten verwachten , is de verplichting
aan alle ouders opgelegd, om hun kinderen op zekeren leeftijd
gedurende eenige jaren regelmatig de school te doen bezoeken
Tot nu toe heb ik bewezen: èn dat de leerplichtigheid
ligt binnen den kring van de rechten en plichten van den
staat, èn dat zij in Nederland bepaald noodig is, omdat aan
den bestaanden treurigen toestand op geen andere wijze een
einde kan gemaakt worden. Toch ruimt ook nu nog de
vijand het veld niet. De leerplichtigheid moge dan al nut-
tig, ja noodig zijn; tegen haar invoering ten onzent heeft
men zooveel bezwaren, dat men nog altijd den langen weg,
die toch tot teleurstelling leiden moet, verkiest boven het
') Met dat gevoelen zijner medeleden kou de Voorzitter der Commissie , de
Heer de Vries Robbé zich niet vereenigen. lu een afzonderlijk advies ont-
wikkelde hij zijn denkbeelden en schreef o. a.: „Ik acht, dat eene wet tot algemeen
verplicht schoolonderwijs, als in strijd met den volksgeest hier te lande, niet
gemakkelijk tot stand zal komen en beschouw op dien grond het voorstel der
Commissie zoo goed als een voorstel, om den bevonden slechten toestand te
laten zoo als hij is."