Boekgegevens
Titel: Leerplichtigheid
Auteur: Kerdijk, A.; Opzoomer, C.W.
Uitgave: Utrecht: J.L. Beijers, 1870
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Br. N a 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203258
Onderwerp: Onderwijs: recht op onderwijs
Trefwoord: Leerplicht
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerplichtigheid
Vorige scan Volgende scanScanned page
30
jaar). En dat resultaat zou nog gunstiger zijn, indien er
niet enkele provinciën waren, waar een sterke niet-Duitsche
bevolking en de gesteldheid van het land moeijelijkheden
baarden. Zoo had b.v. de provincie Pruissen een school-
verzuim van Posen van 18,6°/o- Daarentegen
Hohenzollern een surplus van 1,5°/^, de provincie Saksen
een surplus 'van 3,9%, de Rhijnprovincie een schoolverzuim
van 3,3%, Westphalen van 4,4%.
In het Pruissische leger bevinden zich 3 h. 5°/o» die noch
lezen noch schrijven kunnen
O Cf. het „Rapport ä l'Empereur" 1863, bij Engel t. a. p. bi. 136.
Bij Thilo: „Preuszisches Volksschulwesen nach Geschichte und Statistik",
bl. 307 lees ik het volgende: „Zur Armee wurden im Jahre 1863/64 in Summa
54876 Mann Deutsche und 4685 Nichtdeutsche (Polen, "Wenden, Litauer, Wal-
Ionen) eingestellt, von denen 3480 Mann, also 5,84®/q, ohne alle Schulbildung
waren.
Nach einer in den „militärischen Blättern" VH Jahrgang n®. 43 u. 44 ver-
öffentlichten Uebersicht über die Schulbildung der im Jahre 1865/66 in die
königliche Landarmee und Marine eingestellten Mannschaften, sind von 100
Eingestellten ohne Schulbildung befunden:
im Groszherzogthum Posen. . 16,90
„ der Provinz Preussen . . 16,54
Schlesien.......3,78
„ Pommern......1,47
„ der Rheinprovinz. . . . 1,13
„ W^estphalen......1,03
„ Brandenburg (ohne Berlin). 0,96
„ Sachsen.......0,49,
ünUr den in Berlin eingestellten Mannschaften ist Keiner ohne Schulbildung
befunden**,
Üe Heer Romeijn, in zijn „Schoolverzuim en wettelijke schoolplichtigheid",
trekt resultaten uit een zeer verkeerde statistiek; nl. uit de verhouding van de
schoolgaande kinderen tot de geheele bevolking. Zoo beweert hij op bl. 6,
dat bij ons in 1859 de schoolbevolking 12,15 ®/q van de geheele bevolking be-
droeg, in Pruissen in 1858 15,79 o/^: ergo, een niet zóó aanmerkelijk verschil.
Doch die berekening heeft geen waarde; daar de verhouding der geborenen
tot de bevolking niet overal dezelfde is. Zoo stonden b.v. in 1861:
in Zeeland de geborenen tot de bevolking als 1 : 22.61;
„ N.-Brabant „ „ „ » 1 : 32,31.
Zoo was het surplus van geborenen boven overledenen in de jaren 1850—59
van de 10000 zielen gemiddeld:
iu Noord Brabaud 54 , iu Friesland 104.
'm