Boekgegevens
Titel: Leerplichtigheid
Auteur: Kerdijk, A.; Opzoomer, C.W.
Uitgave: Utrecht: J.L. Beijers, 1870
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Br. N a 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203258
Onderwerp: Onderwijs: recht op onderwijs
Trefwoord: Leerplicht
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerplichtigheid
Vorige scan Volgende scanScanned page
23
tieve bepalingen der wet in overeenstemming te brengen
met de voorschriften der zedewet?
Ik zeg het den heer Nolthenius') na: „Dat heilige
familie- of ouderlijk recht durf ik gerust aantasten, als het
maar alleen in een klank bestaat." „Of door het verwaar-
loozen der opvoeding, het verstoken laten van alle onder-
wijs, het kind verwildert en tot een ruw mensch opgroeit,
en of de maatschappij van zulk een giftig gewas alles te
vreezen heeft, dat schijnt van gering belang te zijn tegen-
over den eerbied, dien men aan den huisvader verschuldigd
is. Kostelijke eerbied zeker voor den dronken en losban-
digen vader, dien men wellicht over eenige weken achter
het slot zet, maar die, zoo lang hij vrij man is, het uit-
sluitend recht moet hebben om te beslissen, of zijn kind
een mensch of een dier zal worden."
Het ouderlijk recht moet bovenal geëerbiedigd worden
Maar het recht van het kind en dat der maatschappij leg
ik in de schaal tegenover het ouderlijk recht; en dan moet
ik zeggen, dat zij overhelt naar de zijde van het kind en
de maatschappij. Het recht der ouders wil ik gaarne er-
kennen en eerbiedigen. Maar in welken zin? Zij hebben
het recht om te bepalen hoe het kind onderwezen zal wor-
den ; maar niet of, d. i. dat er in 't geheel geen onderwijs
zal genoten worden. Dat is geen gebruik maken van de
vaderlijke macht; dat is schending van den vaderlijken plicht.
7°. Door de leerplichtigheid treedt de staat buiten zijn
sfeer en wordt socialistisch.
In de zitting der Tweede Kamer van 30 tlunij 1857.
«) Opzoomer t. a. p. bl. 103.
') In de Kamerzitting van 14 Julij 1857 bestreed Thorbeeke het amende-
ment Blaupot ten Cate met deze woorden: „Ik heb het mij steeds tot
plicht gerekend, waar het pas gaf, streng te onderscheiden tusschen het gebied,
waar overheidsgezag heerschen kan, en dat, hetwelk aan de particuliere vrijheid
moet voorbehouden blijven. Tot het laatste, door geen politieke macht hoe-
genaamd te betreden, behoort m. i. de bevrediging vau de behoefte (?) om zich