Boekgegevens
Titel: Leerplichtigheid
Auteur: Kerdijk, A.; Opzoomer, C.W.
Uitgave: Utrecht: J.L. Beijers, 1870
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Br. N a 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203258
Onderwerp: Onderwijs: recht op onderwijs
Trefwoord: Leerplicht
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerplichtigheid
Vorige scan Volgende scanScanned page
22
6°. Dat het ouderlijk recht door de leerplichtigheid zou
geschonden worden, is hun zesde argument — een argu-
ment, dat m. i. al op even zwakke gronden rust.
In den aanvang der maatschappij, toen zij nog in haar
eerste beginselen was, was de huisvader souverein. Hij
was het hoofd van den kleinen staat. Hij had het recht
van leven en dood over moeder en kinderen; en even goed
als hij het lichaam kon do oden, kon hij ook de ziel laten
sterven. Die toestand is voor beter opvattingen geweken.
Reeds de Romeinsche maatschappij beperkte de oudtijds
onbegrensde patria potestas. Naast, of liever boven het
recht der ouders, is het recht van het kind getreden: aan
den staat om het te beschermen. Maar als gij dat recht
der oude tijden hebt laten varen, waar het het lichaam
betreft, op welken grond wilt gij het dan behouden voor
den geest en voor de ziel? O
Die gelijkstelling van lichaam en geest gaat, volgens
sommigen, niet op. Wel kan de staat tusschen beiden
treden, wanneer het leven of de eigendommen van het kind
in gevaar worden gebracht, wanneer hem het noodige
voedsel wordt onthouden, of dergelijke; maar met de plicht
der ouders, om hun kinderen onderwijs te doen genieten,
treedt men op het gebied der zedelijke verplichtingen! In
de eerste plaats vraag ik, waarom het verstrekken van
voedsel voor den geest wèl, van voedsel voor het ligchaam
niet alleen een zedelijke verplichting zou zijn? Art. 159 en
353 B. W. spreken immers van onderhouden en opvoeden;
en daaronder zal onderwijs dan toch wel in de eerste plaats
begrepen zijn. Maar bovendien, al was dit zoo, is het niet
juist de verheven roeping van den wetgever, om de posi-
vesatoires, impuissantes et odieuses. L'enseignement du père de famille est un
droit eonstitutiouuel (?), que la loi ne peut supprimer". Neen, het is geen
droit maar een devoir naturel, que la loi doit faire remplir!
') Cf. Jean Macé: „Lettres d'un paysan alsacien au Sénat",