Boekgegevens
Titel: Leerplichtigheid
Auteur: Kerdijk, A.; Opzoomer, C.W.
Uitgave: Utrecht: J.L. Beijers, 1870
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Br. N a 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203258
Onderwerp: Onderwijs: recht op onderwijs
Trefwoord: Leerplicht
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerplichtigheid
Vorige scan Volgende scanScanned page
Hoe eng men den kring van het staatsgezag ook moge
trekken, hoe ruim men het veld ook moge laten voor de
vrije werking van het individu, dat eerste recht en dien
eersten plicht althans zal men den staat moeten toekennen,
om te waken voor onze veiligheid. Welnu! ook op dien
grond eischen wij de leerplichtigheid.
Toen in 1847 de conservatieve partij in het Engelsche
Parlement oppositie maakte tegen de van regeringswege
voorgedragen staatsbijdrage voor het volksonderwijs, toen
trad de groote Macauley als verdediger van de goede
zaak, van het recht van den staat op. Zijn schitterende
redevoering resumeerde hij in deze woorden: „This then is
my argument. It is the duty of government to protect
our persons and property from danger. The gross ignorance
of the common people is a principal danger to our persons
and property. Therefore, it is the duty of government to
take care, that the common people shall not be grossly
ignorant.'^
Met recht schreef dan ook Opzoomer: „Wat wij aan
het onderwijs uitgeven dat halen wij uit op de gevange-
nissen." Het volk onderwijzen — dat is het volk beter,
zedelijker maken. De deelname aan het onderwijs bij een
») „On Education", in zijn „Speeches" II 334. Op bl. 235 lees Ik deze
merkwaardige "woordcn: „The authority of Adam Smith, always high, is on
this subject entitled to peculiar respect, bccausc he extremely disliked busy,
prying, interfering government. lie was for leaving literature, arts, sciences
to take care of themselves. He was not friendly to ecclesiastical establishments,
fie was of opinion, that the state ought not to meddle with the education of
the rich. But the education of the poor, he says, is a matter which deeply
concerns the commonwealth. Just as the magistrate aught to interfere for the
purpose of preventing the leprosy from spreading among the people, he aught
to interfere for the purpose of stopping the progress of the moral distempers,
which are iuseparable from ignorance".
In zijn „Volksonderwijs", in den Volksalmanak van 1861, bl. 89. En in
andcren vorm Macauley, t. a. p. bl. 230: „To me it seems clear, that
whoever has a right to haug has a right to educate".