Boekgegevens
Titel: Leerplichtigheid
Auteur: Kerdijk, A.; Opzoomer, C.W.
Uitgave: Utrecht: J.L. Beijers, 1870
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Br. N a 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203258
Onderwerp: Onderwijs: recht op onderwijs
Trefwoord: Leerplicht
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerplichtigheid
Vorige scan Volgende scanScanned page
5
om een ieder, althans theoretisch, tot een voorstander der
leerplichtigheid te maken.
1°. Door de ouders te dwingen, hun kinderen onderwijs
te doen genieten, beschermt de staat het recht der minder-
jarigen.
Het is algemeen erkend als een der eerste beginselen van
alle regering, om te waken voor het belang van hen, die
niet in staat zijn voor zich zeiven te zorgen. En nu zou
het wel raoeijelijk zijn, een klasse van menschen te vinden,
zóó hulpeloos en daarom de tusschenkomst van den staat
zóózeer behoevend, als jonge kinderen in handen van on-
wetende, onverschillige of misdadige ouders. Het kind be-
hoort noch aan den staat (zooals Plato en Lycurgus,
zooals Mably en Rousseau het wilden) noch aan den
vader (zooals de strenge opvatting der patria potestas van
het oud-romeinsche recht het meebracht); het kind behoort
aaa zich zelf. Maar het kind is niet in staat voor zich zelf
te zorgen; het verkeert daarom in een toestand van min-
derjarigheid en voogdijschap; en de taak, om voor de be-
langen van het kind te waken, rust op de ouders of den
voogd — of des noods, zoo deze hun plicht niet vervullen,
op de maatschappij.
En hiermede heb ik volstrekt niets nieuws verkondigd.
Het beginsel is in onze wetgeving gaaf erkend; en in
het Burgerlijk Wetboek vinden wij een reeks van be-
palingen, met geen ander doel dan om de rechten van liet
minderjarige kind te beschermen tegen hem, die die rechten
miskent. Én art. 159 én art. 358 B. W. leggen den ouders
de verplichting op, hun kinderen te onderhouden en op te
voeden. De vader heeft wel liet vruchtgebruik van de goe-
deren van het kind, maar de eigendom blijft aan het kind;
en art. 363 stelt den vader, als bewindvoerder daarover,
aansprakelijk. In dien geest luiden een aantal artikelen,
die bewijzen, dat de bescherming vau de rechten der min-