Boekgegevens
Titel: Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Deel: Dl. 7-8Vitaulium $ Hofwijk $ Spaansche wijsheit $ vertaalde spreekwoorden
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 107/108
Auteur: Huygens, Constantijn; Vloten, J. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IN BEWERKING
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203253
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Vorige scan Volgende scanScanned page
Twee hondert kielen zijn voor Hofwijck heen getelt,
Die dagelicks door Zeil, of Mensch, of Peerds geweld
Voor Hofwijck henen gaen. Nu tert ick lihijn en Maze,
En Dort.cn Ijoevestciu; nu lijd ick, dat men blase
Van Sparen cn van Y, jae, van de Noorder Zond,
Daer niemand meer gevaers en wedervarens 1) vond,
Als in mijn volle Vliet; die niet en is te naken.
Men siet' er Schip of Schuyt d'een* d'andere genaken,
Men siet* er Lijn door Lijn geweven, Peerd aen Peerd,
Zeil achter Zeil gereckt, Roer tegens Roer gekeert;
Men hoort' er van: „houw vol, houw biuneu, en houw buyten".
Men hoort den Jager-boef 2) siju ongemack vcrfluyten,
Üf koelen met een lied de bleinen 3) die hy rijdi.
Niet nu ceus, en eens flus, maer stadigli en altijd,
Ry donker en by daegh. Hier boef ick niet te vraegen,
Wat ty is 't van den dagh? de Eeurt-schuyt kan't gewagen :
En die ten sevenen ten Haegh uyt werdt gebclt.
Die weet ick, dat met my de kloek van acliten telt;
Die vijf te Leydcn hoort, telt recht voor Hofwijck seven;
Dat 's 't uerwerck van de Plaets, dat, sonder veer gedreven,
En sonder wcêr-wicht gaet, en daerom noyt en wraeckt.
En daerom vaster gaet dan all' die m'elders maeckt,
En windt sich selven op, cn drijft sijn' eigen* raden.
Hier treed ick 't soetste pad van all'miju'soetste paden:
Hier treed ick wederzijds op *t kantjen van een' plas.
Die d'een den anderen vcrpocchen4) met haer glas.
Ten Noorden is 't mijn diep, ten Zuyden is mijn Schuyt-nat,
Daer ick dan d'eencn Boer, dan d'and'ren Schipper uyt vat.
En vragc: „waer wilt 't heen, Goc mannen, waer van daen?
Hoe gaet ghy soo ondiep, hoe zijt ghy soo gelaên?" —
„Maer, Heerschop!" seghter een, wy hebben 't ruym vol
(plancke!"
En geeft het goed wat winst? „Wy hebbe Goa te dancke,
We laden 't tc Sardam en komme langhs de Meer 5),
Deur d' ouwe Weteringh, en soo den Rhijn om neer.
1) llecD-en u-eèr varenj 2) Het schuit-j agertjen. S) Anders bladen. ,
4) overroeraeii. 5) Die iu Haarlem en Leiden.