Boekgegevens
Titel: Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Deel: Dl. 7-8Vitaulium $ Hofwijk $ Spaansche wijsheit $ vertaalde spreekwoorden
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 107/108
Auteur: Huygens, Constantijn; Vloten, J. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IN BEWERKING
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203253
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 84 —
Haer' hoofden droeffelick onthullen van 't gewaed,
Hoort, Haeghsche Joffcrtjens, dat boven 't uwe gaet.
Dan stroyen sy den vloer met haer' bevallickheden.
Als of' er Bruydegom en Bruyd most overtreden:
Dan komt het Hemelsch nat, dat door de Masten druypt.
En opent scheur by scheur, daer blad voor blad in kruypt;
En van dat soet bederf, cn van dat schoon verrotten
Versaedt sich Mast by Mast, en voert het in sijn botten.
Gaet henen nu, en soeckt, of ergens wey of woud
Met edeler gewasch begraest werdt of bebouwt.
Wie derft van Ypen-hout naer sulcken puyck-goed spreken?
Het moet' er uyt nochtans; daer magh' es geen gebreken:
En, is de Schildery voltrocken, laet de Lijst,
Daer menigh onverstand de Schildery om prijst,
Haer' beurte zijn vergunt: Tot u dan, Ypen-boomen!
Door lange droomen heen, tot u ben ick gekomen.
Scheid-palen van mijn' grond, belenders van mijn' Erf,
En, als ghy spreken kost, Lijf-wachten van mijn' werf:
Ghy staet niet daer ghy staet om 't eenige vermaken:
Om Eer, om Nut, om Lust, die dry beroemde saken
Daer al ons doen op loopt, staet ghy in 't voor-gelit.
Op 't uyterste gescheid van 't Hoi 'wijcker besit.
Schoon voor-doen heeft sijn' kracht, als alle Koop-luy weten.
En dickmael ia het Huys by 't Voor-huys af te meten:
De self-kant van 't Fluweef belooft wat van de StofT
En by de Heiningen voor-oordeelt men den Hof;
Soo kan uw' heerlijckheid, soo moet sy wat beloven;
Bn die daer Hofwijck prijst heeft u vooral te loven.
En die van Nootdorp af, en mogelick van Delf,
Hofwijcker Hof ontdeckt, moet seggen by sim self:
Daer schuylt wat achter 't schoon van die verheven kruynen.
Dat prijsenswaerdigh is; soo seker als de Duynen
Betekenen de Zee ten einde van haer sand.
Daer med'is d'Eer voldaen: wat Nattigheit mijn strand,
Mijn soeten oever treckt van uw' getrouwe wortel.
Dat weet de Schipper best, die 't stadige gebortel
Van d' omgeroerde Vliet, in 't zeilen door haer nat.
Afgrijselick verweckt en op mijn Kuste spat.