Boekgegevens
Titel: Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Deel: Dl. 7-8Vitaulium $ Hofwijk $ Spaansche wijsheit $ vertaalde spreekwoorden
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 107/108
Auteur: Huygens, Constantijn; Vloten, J. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IN BEWERKING
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203253
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 83 ~
'k Heb trotsche Tempelen sien proncken in den duyster
Vau helderlick geboomt, en 't streckte tot liaer luyster,
Gesien en ongesien te duyckcn in dat koel,
ïn, soo veel 't buytenst kan op 't binnenste gevoel.
Die naere scliaduwen zijn 't machtigh om te roeren,
En 't hert beweeght'er af: Spreeckt Stede-liên, spreeckt, Boeren,
Spreeckt, vriend en vreemdelingh, die langlis don Polder-dijek
Des Somers in het stoff, des Winters in het slijck.
Voor llol'wijek werdt gestut; wat seggen uw' gedachten,
Wanneer gliy Hofwijck siet twee donker groene nachten.
Twee nachten van geboomt bevleugelen met pracht.
Als waicns' uyt het wildst van Pruyssen her gebracht.
En door de loclit gevoert, gelijck de liên te Koomen
Van 't ongeloofelick Loretto derven droomen
(Hoe wert de Menschlickheit van d' een' in d' ander' mist,
Alss' eens het heiligh spoor van 's Hemels waerheid mist!)
Daer 't kostelick gebouw geen' minder Metselaren
Dan Engelen vermeldt, die over berg en baren
In éénen nacht met Kerck en Autaer zijn gezeilt:
Hoe pijnt ghy neck en hals naer d' ongemeene steilt'
Van weerzijds Masten-bosch, hoe tergen sy uw' sinnen,
Om eens die wonderen van onderen, van binnen
Te mogen oversien! hoe quelt u 't Vlieder-diep!
Hoe wenscht ghy dat het droogh door Booner-sluysen liep.
En ebde tot den grond! roept schepen aen en schuyten;
Daer staen twee heckens voor; maer vromer" uyt te sluyten,
Is niet van haer bevel: de sloten zijn van stroo
Voor d'openhertige; van yser, voor de snoó.
Treedt in de Wilderniss' ten Oosten of ten Westen;
Den ingangh is gegunt, de wandelingh ten besten.
En s' is uw' moeyte waerd: en, als lek 't seggen derf,
Ghy sult met naberouw vertrecken van de werf,
Kn seggen flus te Delft, of seggen flus te Leiden,
Ghy hebt sehoor-voetende van Hofwijck moeten scheiden;
Daer, dat ghy noyt en saeght in 't lieffeliokst gewest,
Mast-boomen van der jeughd met Hoosen zijn gemest.
Met Heesen, let er op; sy staend'er noch en ^oeyen.
En, als sy, moê gepronekt, op 't einde van haer b^oeye^